| Tekst |
MINISTERIE VAN FINANCIEN
Kenmerk: Wt03-01 Den Haag, 22 januari 2003
De Belastingdienst is een uitgebreid onderzoek gestart naar
Nederlandse belastingplichtigen met één of meer buitenlandse
rekeningen waarvan de saldi en/of de inkomsten niet zijn
opgegeven, het zogenoemde "Rekeningenproject". Daarbij kunnen
veel rechtsvragen opkomen, die een groot aantal
belastingplichtigen kunnen raken. In dat kader hebben de
Belastingdienst en Nauta Dutilh te Rotterdam de intentie
uitgesproken door middel van een zo klein mogelijk aantal
procedures zo veel mogelijk van die rechtsvragen voor te
leggen aan de belastingrechter. De daartoe gemaakte afspraken
zijn neergelegd in een Protocol, dat hieronder is opgenomen.
PROTOCOL tussen de Belastingdienst en mr. , inzake
afstemming fiscale procedures buitenlandse banktegoeden
De Staatssecretaris van Financiën, ten deze vertegenwoordigd
door , werkzaam bij de Belastingdienst,
, hierna te noemen: partij A
en
mr. , verbonden aan Nauta Dutilh,
advocaten/notarissen/belastingadviseurs, te Rotterdam, hierna
te noemen: partij B
overwegende dat:
de Belastingdienst momenteel onderzoek doet naar het bezit van
voor hem verzwegen buitenlandse banktegoeden van
belastingplichtigen en dat daaruit rechtsvragen voortvloeien,
die een groot aantal belastingplichtigen raken;
partijen rechtsvragen onderkennen op met name de volgende
deelterreinen:
- de toelaatbaarheid van het gebruik van bewijsmateriaal;
- de oplegging van bestuurlijke boetes;
- de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- het gebruik van de mogelijkheid tot inkeer.
partijen zich bewust zijn van de behoefte van vele
belanghebbenden bedoelde rechtsvragen ter beantwoording voor
te leggen aan de bevoegde rechter;
partijen de intentie hebben door middel van een zo klein
mogelijk aantal fiscale procedures zo veel mogelijk
rechtsvragen voor te leggen aan de belastingrechter en op
basis van de door deze gedane uitspraken te komen tot een
richtsnoer voor een effectieve en juridisch correcte afdoening
van soortgelijke zaken;
SPREKEN HET VOLGENDE AF:
Doel van het protocol
Artikel 1
Het doel van dit protocol is door middel van een zo klein
mogelijk aantal fiscale procedures zo veel mogelijk
rechtsvragen voor te leggen aan de belastingrechter en op
basis van de door deze gedane uitspraken te komen tot een
richtsnoer voor een effectieve en juridisch correcte afdoening
van soortgelijke zaken. Bedoelde rechtsvragen hebben met name
betrekking op de volgende deelterreinen:
- de toelaatbaarheid van het gebruik van bewijsmateriaal;
- de oplegging van bestuurlijke boetes;
- de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- het gebruik van de mogelijkheid tot inkeer.
Bevoegdheden
Artikel 2
Voor de uitvoering van dit protocol is
binnen de Belastingdienst de eindverantwoordelijke.
Zij zal daartoe voorzover nodig overleg plegen met relevante
betrokkenen, waaronder medewerkers van het ministerie van
Financiën en het openbaar ministerie.
Artikel 3
, werkzaam bij de Belastingdienst/
, is primair
verantwoordelijk voor de inhoudelijke uitvoering van het
protocol. Hij draagt zorg voor het verlenen van bijstand door
medewerkers van de Belastingdienst, inhoudelijke afstemming
binnen de Belastingdienst, alsmede voor procedurele en formele
afstemming met .
Artikel 4
Partijen A en B voeren onderling overleg en maken afspraken
ter uitvoering van dit protocol.
Verkennende fase
Artikel 5
In de verkennende fase worden de concrete rechtsvragen benoemd
en uitgediept, die aan de orde dienen te komen in de fiscale
bezwaar- en beroepsprocedures. Daarnaast worden onderwerpen
geclusterd en worden onderliggende feitencomplexen in beeld
gebracht, die optimaal kunnen bijdragen aan het realiseren van
het doel van dit protocol.
Artikel 6
Deze fase wordt gekenmerkt door een zo groot mogelijke mate
van openheid in de wederzijdse informatieverstrekking, zodat
kan worden voorkomen dat in een latere concrete bezwaar- en
beroepsprocedure alsnog feiten en inzichten bekend worden, die
realisatie van het doel van dit protocol in de weg zouden
kunnen staan.
Artikel 7
Het eindproduct van de verkennende fase is een door beide
partijen - voor zover het betreft partij B: voor zoveel nodig:
namens diens cliënten - geaccordeerde schriftelijke uitwerking
van de uit te procederen rechtsvragen en de benoeming van het
minimale aantal benodigde procedures.
Selectiefase
Artikel 8
Partij B zal, mede op basis van het overleg dat tussen
partijen zal plaatsvinden in de verkennende fase, onderzoeken
- en vervolgens aan partij A voorleggen - welke de
belastingplichtige(n) is (zijn) namens wie zal worden
geprocedeerd teneinde de in artikel 1 bedoelde rechtsvragen zo
snel en zuiver mogelijk te doen beantwoorden door enig
gerechtshof.
Artikel 9
Het staat partij A vrij zaken te weigeren zonder daarvoor een
motivering te geven.
Artikel 10
Het eindproduct van deze fase is een door beide partijen
geaccordeerde selectie van geschikte zaken en de namen van de
gerechtshoven waar zal worden geprocedeerd.
Procesfase
Artikel 11
Nadat partijen overeenstemming hebben bereikt over de
inrichting van de procedures, zijn ten aanzien daarvan geen
wijzigingen meer mogelijk, tenzij beide partijen daarmee
instemmen. Voorstellen tot wijziging in een latere fase worden
beoordeeld aan de hand van het doel van dit protocol.
Artikel 12
Partij A draagt zorg voor het zo spoedig mogelijk nemen van
voor bezwaar vatbare beschikkingen ten aanzien van de
geselecteerde zaken en zal de behandeltermijn van de
bezwaarschriften zo beperkt mogelijk houden. Partij B zal
onmiddellijk, nadat een beslissing op bezwaar is
bekendgemaakt, daartegen beroep instellen bij de bevoegde
rechter. De eindproducten van deze fase zijn de gebruikelijke
processtukken, zoals beroep- en verweerschriften.
Cassatiefase
Artikel 13
Partijen zullen - voor zover het betreft partij B: indien en
voor zover de cliënt(en) van partij B daarmee instemt
(instemmen) - zoveel mogelijk in gezamenlijk overleg bepalen
of beroep in cassatie zal worden ingesteld bij de Hoge Raad
tegen uitspraken welke zijn gedaan ten aanzien van de
geselecteerde zaak of geselecteerde zaken. Ook gedurende de
cassatiefase treden partijen zo nodig in overleg.
Inwerkingtreding en duur
Artikel 14
Dit protocol treedt in werking op de dag van ondertekening.
Het geldt totdat de zaak of zaken, waarin uitspraak is gedaan
door het gerechtshof c.q. door de Hoge Raad arrest is gewezen,
onherroepelijk vaststaat dan wel vaststaan.
Aldus opgemaakt en ondertekend in tweevoud op 10 september
2002 te Rotterdam
|