FutD - archief

Nummer Fida20003800
Bron Hoge Raad 25 oktober 2000 35508
Titel Waardedrukkend effect bij onzekerheid omtrent moment van sloop woning?
Samenvatting X had een woning nabij een spoorbaan. Er bestonden plannen om die spoorbaan te verbreden, waardoor de woning van X zou moeten worden gesloopt. X ontving een WOZ-beschikking, die X echter te hoog vastgesteld vond. Hof: Het was aannemelijk dat er onzekerheid bestond omtrent het tijdstip van de sloop. Die onzekerheid had echter geen waardedrukkende invloed. De HR heeft de uitspraak vernietigd. Ondanks het feit dat X voor het afstaan van zijn woning een vergoeding zou ontvangen, viel niet zonder meer in te zien dat gegadigden voor de woning geen enkele waardedrukkende invloed zouden toekennen aan de onzekerheid omtrent het moment van sloop van de woning. Verwezen.
Tekst

Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
25 oktober 2000
Nr. 35.508


ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z

tegen

de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juni 1999
betreffende na te melden ten aanzien van hem genomen
beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet
waardering onroerende zaken.


1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Vleuten-De Meern (hierna: B en W) de waarde van de onroerende
zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, voor het tijdvak
1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op
f 159.000,--.
Na tegen deze beschikking gemaakt bezwaar is deze waarde bij
uitspraak B en W gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van B en W in beroep
gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het
Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in
cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
B en W hebben een vertoogschrift ingediend.


3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het
onderhavige pand is gelegen op korte afstand van de spoorbaan
tussen Q en R. Op de waardepeildatum 1 januari 1992 bestonden
plannen deze spoorbaan te verbreden, maar was het tijdstip
waarop het pand in verband met de verbreding van deze
spoorbaan zou worden gesloopt onzeker.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze onzekerheid geen
waardedrukkende factor vormt en heeft daartoe redengevend
geoordeeld dat, "indien belanghebbende zijn woning zou moeten
afstaan ten behoeve van de verbreding van de spoorbaan,
daarvoor (...) immers, naar moet worden aangenomen, een met de
waarde van de woning overeen komende vergoeding [zal] kunnen
worden verkregen".

3.3. In de vierde klacht wordt deze redengeving terecht
bestreden. Nu het van algemene bekendheid is dat in een geval
als dit gewoonlijk een vergoeding wordt betaald, stond het het
Hof weliswaar, anders dan belanghebbende betoogt, vrij die
omstandigheid in zijn oordeel te betrekken, hoewel die niet
door B en W was aangevoerd, maar zonder nadere redengeving,
die de uitspraak van het Hof niet bevat, valt niet in te zien
waarom die omstandigheid op zichzelf het oordeel kan
rechtvaardigen dat gegadigden voor het pand geen enkele
waardedrukkende invloed aan de in 3.1 bedoelde onzekerheid
zouden toekennen.

3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven.
Verwijzing moet volgen. De overige klachten behoeven geen
behandeling.


4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling
in de proceskosten in cassatie als bedoeld in artikel 5a van
de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Door het
verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende
voor de kosten in verband met de behandeling van het geding
voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.


5. Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage
ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in
meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,
- gelast dat door B en W aan belanghebbende wordt vergoed het
door deze ter zake van de behandeling van het beroep in
cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van
f 340,--, en
- wijst de gemeente Vleuten-De Meern aan als de rechtspersoon
die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 25 oktober 2000 vastgesteld door de
vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de
raadsheren A.G. Pos en D.H. Beukenhorst, in tegenwoordigheid
van de waarnemend griffier A.A. Fase, en op die datum in het
openbaar uitgesproken.





Beroepschrift in cassatie (gedeeltelijk opgenomen)

Hierbij dien ik beroep in cassatie in tegen de schriftelijke
uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, rolnr. 9813062, welke
op 25 juni 1999 aan mij is verzonden. Een afschrift van de
aangevallen uitspraak voeg ik als bijlage bij dit
beroepschrift.


Cassatiegronden

Mijn beroep is gegrond op het feit, dat de uitspraak van het
Hof onvoldoende gemotiveerd en daardoor onbegrijpelijk is, en
de motivering mitsdien de uitspraak niet kan dragen.


Toelichting

Mijn grieven zijn gericht op de navolgende elementen van de
uitspraak van het Hof: 1. De omschrijving van de gedingstukken
2. De - ter zitting voor het Hof door mij reeds weersproken -
aantoonbare onjuistheid van de door verweerder geschetste
feiten, voorzover deze zijn vermeld in de uitspraak van het
Hof onder 4. Standpunten van partijen en behandeling ter
zitting 3. De onjuiste weergave van mijn subsidiaire standpunt
onder punt 5.2. van de uitspraak, en derhalve de onjuiste dan
wel onvolledige motivering voor de verwerping van dat
standpunt 4. De onbegrijpelijke motivering ten aanzien van het
al dan niet bestaan van een waardedrukkende factor onder punt
5.3. van de uitspraak 5. De onvolledige weergave van hetgeen
ter zitting gesteld is en daardoor onbegrijpelijke motivering
voor de verwerping van de stelling onder punt 5.4. van de
uitspraak.

Ad 1
Door verweerder is op verzoek van het Hof afgezien van het
voordragen van zijn pleitnota, behoudens voorzover deze
elementen bevatte die nog niet eerder uit de gedingstukken
gebleken waren. Het gevolg hiervan is dat verweerder zijn
pleitnota in het geheel niet heeft voorgedragen.

Naar mijn oordeel kan de pleitnota van verweerder derhalve,
voorzover deze elementen bevat die nog niet eerder uit de
gedingstukken gebleken waren, niet tot de gedingstukken
gerekend worden.


Ad 2
Door verweerder is tijdens de zitting voor het Hof gesteld dat
het nog niet te voorzien is welke panden moeten worden
gesloopt, en dat het zelfs mogelijk is dat de spoorbaan alleen
aan de andere kant wordt verbreed (punt 4.3. van de
uitspraak).
Volledigheidshalve: door verweerder is tevens gesteld dat de
gehele wijk, waarin mijn woning staat, zou moeten worden
gesloopt (dus inclusief de 'vergelijkbare panden').
De vraag van het Hof of verweerder dit met schriftelijke
bescheiden kon staven werd door hem ontkennend beantwoord.
Vervolgens heb ik volhard in mijn standpunt op grond van
schriftelijke bescheiden, daterend uit de periode rond de
waardepeildatum, welke deel uitmaken van de processtukken (met
name: bijlage 5 bij mijn beroepschrift). Wanneer het Hof met
deze volledige argumentatie rekening had gehouden, had het
niet tot de aangevallen uitspraak kunnen komen.
Wellicht ten overvloede voeg ik hieraan een citaat toe uit de
brochure 'Inspraak Voorontwerp-Bestemmingsplan A', welke in
augustus 1999 door de Gemeente Vleuten-De Meern is uitgegeven:

'Het is al lange tijd bekend dat de spoorlijn R-T moet worden
verdubbeld en dat deze verdubbeling zal plaatsvinden aan de
zuidzijde.
(...)
Besprekingen met Railinfrabeheer over het hoe, wat en wanneer
van de spoorbaanverdubbling zijn nog steeds gaande. Over
planning kan dus op dit moment helaas niets concreets worden
gezegd.'

Ik concludeer dat het Hof uit de vele informatie die is
aangevoerd, de enige onjuiste (en derhalve niet te
onderbouwen) informatie heeft gebruikt voor haar motivering,
en ten onrechte aan de juiste én onderbouwde feiten voorbij
gegaan is.

Ad 3
Het Hof omschrijft mijn subsidiaire stelling als een beroep op
door de Belastingdienst opgewekt vertrouwen. In mijn ter
zitting voorgedragen pleitnotitie heb ik hieromtrent echter
vermeld dat ik slechts getracht heb een aanknopingspunt te
vinden bij het kwantificeren van de in het geding zijnde
waardedrukkende factor. In die zin is er dus slechts sprake
van een zekere mitigering van mijn primaire standpunt, en in
dat licht bezien is de motivering van het Hof op dit punt
onbegrijpelijk.

Ad 4
In mijn ter zitting voorgedragen pleitnotitie heb ik vermeld
dat verweerder en ik niet van mening verschillen over het feit
dat er sprake is van een onzekere factor, die de waarde van
mijn woning negatief beïnvloedt, doch dat wij slechts van
mening verschillen over de vraag, of met deze waardedrukkende
factor bij het vaststellen van de WOZ - waarde van mijn woning
rekening moet worden gehouden. Ook op dat moment is dit door
verweerder niet tegengesproken. De rechtsvraag, die aan het
Hof is voorgelegd, behelst dan ook uitsluitend de vraag, of,
gegeven de aanwezigheid van een waardedrukkende factor, met
deze factor rekening moet worden gehouden in het kader van een
waardevaststelling in het kader van de Wet waardering
onroerende zaken (WOZ). Het Hof motiveert haar uitspraak met
het argument dat ik,als ik mijn woning zou moeten afstaan ten
behoeve van de verbreding van de spoorbaan daarvoor immers,
naar moet worden aangenomen, een met de waarde van de woning
overeenkomende vergoeding zal kunnen verkrijgen. Enerzijds
treedt het Hof hiermee buiten de rechtsstrijd, en kan de
motivering reeds om deze reden de uitspraak niet dragen.
Anderzijds geeft het Hof blijk van een onjuiste
rechtsopvatting waar het gaat om de definiëring van de in het
geding zijnde waardedrukkende factor: niet is relevant dat bij
daadwerkelijke afstand ten behoeve van de spoorbaanverbreding
een adequate vergoeding zal kunnen worden verkregen - hetgeen
door mij ook nimmer bestreden is -, doch in het kader van de
waardevaststelling voor de WOZ is van belang welke 'prijs' een
potentiële koper ten tijde van de peildatum zou hangen aan het
volstrekt onbekende risico dat hij zou lopen wanneer hij de
woning zou kopen.

Ad 5
De vraag van het Hof tijdens de zitting of op de
waardepeildatum reeds sprake was van overlast door
samenscholende jongeren in de mate als door mij gesteld is
door verweerder bevestigend beantwoord. Verweerder voegde
daaraan toe dat het mij bekend moest zijn dat de Gemeente
'thans'(*1) bezig was om hiervoor een oplossing te zoeken. Ik
heb bevestigd dat dit mij bekend was. Nu tussen partijen
volstrekte overeenstemming over deze feiten bestond en
overigens niets terzake doende in het geding is aangevoerd,
acht ik de beslissing en de daarvoor gegeven motivering van
het Hof op dit punt volstrekt onbegrijpelijk.


Conclusie

Gezien het bovenstaande, en gelet op de gedingstukken die in
de procedure voor het Hof zijn ingebracht en waarnaar ik hier
verwijs, concludeer ik tot vernietiging van de uitspraak van
het Hof en tot vaststelling van de waarde van mijn woning voor
de toepassing van de WOZ naar de waardepeildatum 1 januari
1992 tot primair nihil en subsidiair f 88.000.


Proceskosten

Ik verzoek uw Raad de Gemeente Vleuten - De Meern te
veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, zoals bedoeld
onder punt 4.2. van de uitspraak van het Hof, alsmede van het
griffierecht, betaald in eerste aanleg én in cassatie.




VOETNOOT

(*1) Bedoeld wordt: ten tijde van de zitting voor het Hof.

Datum 20001025