Geen medische BTW-vrijstelling voor BV met artsen in dienst

Datum: 11 August 2017

BV X zorgde ervoor dat de bij haar in dienst zijnde buitenlandse (tand)artsen en specialisten medische diensten konden verrichten in de Nederlandse gezondheidszorg. BV X claimde de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g, van de Wet omzetbelasting (OB). De inspecteur vond echter dat sprake was van detachering van medisch personeel waarvoor de medische vrijstelling niet gold. Rechtbank Gelderland en Hof Arnhem-Leeuwarden volgden het standpunt van de inspecteur. BV X ging in cassatie en stelde dat haar diensten voor de ziekenhuizen werden uitgevoerd door artsen en gezondheidskundige verzorging betroffen in de zin van artikel 11, lid 1, letter g Wet OB. Daaraan deed volgens BV X niet af dat deze artsen bij haar in dienst waren, omdat de rechtsvorm waarbinnen de artsen de diensten verrichtten niet in de weg stonden aan toepassing van de vrijstelling. De Hoge Raad besliste dat het Hof zijn uitspraak dat sprake was van het ter beschikking stellen van personeel had gebaseerd op een uitlegging van de tussen BV X en de ziekenhuizen gesloten contracten. De Hoge Raad volgde de beslissing van het Hof dat deze contracten inhielden dat de dienstverlening van BV X niet kon worden aangemerkt als gezondheidskundige verzorging vanwege de verhouding van ondergeschiktheid waarin de artsen juridisch ten opzichte van BV X stonden. De Hoge Raad besliste vervolgens dat het feit dat het artsen waren die ter beschikking werden gesteld, niet maakte dat de diensten van BV X konden worden aangemerkt als gezondheidskundige verzorging door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep in de zin van artikel 11, lid 1, letter g, Wet OB. De Hoge Raad wees hierbij op het Go Fair-arrest van het EU-Hof van 12 maart 2015. De Hoge Raad verwierp het beroep van BV X op het neutraliteitsbeginsel en besliste dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar was dat de wettelijke bepalingen noch de Richtlijnbepalingen voorzagen in een vrijstelling voor het ter beschikking stellen van medisch personeel, ook niet als dat personeel in ziekenhuizen werkzaamheden op het gebied van de gezondheidszorg verrichtte. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van BV X (gedeeltelijk zonder nader motivering met toepassing van artikel 81 Wet RO) ongegrond.

Twitter
Facebook
LinkedIn