Verhuur binnenzwembad in eigen woning van firmanten “verhuur-plus”

Datum: 17 May 2017

V.o.f. A verrichtte BTW-vrijgestelde fysiotherapieactiviteiten. De vennoten van A, de echtelieden X en Y en hun zoon Z, hadden v.o.f. B opgericht die op diverse locaties praktijklocaties had. Een van de locaties was het woonhuis van het echtpaar. In 2013 was het woonhuis uitgebreid met een binnenzwembad inclusief douche- en kleedruimte en berging. In april 2014 sloten A en B een overeenkomst op grond waarvan B aan A het zwembad ter beschikking stelde tegen een vergoeding van € 30 per uur exclusief 6% BTW. De inspecteur weigerde de aftrek van de BTW op de aanlegkosten van het zwembad. A ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat geen sprake was van de verhuur van een onroerende zaak en wees daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, omdat A een specifiek gebruik van de onroerende zaak faciliteerde, namelijk het faciliteren van fysiotherapeutische behandelingen in het zwembad. Het zwembad werd daarbij ter beschikking gesteld met attributen als een loopband, jet streams en reguleerbare temperatuur waarbij de watertemperatuur door B vooraf werd ingesteld op de behandelwensen van de eerstvolgende cliënt van A. Daarnaast vond de Rechtbank het van belang dat het zwembad steeds kortstondig aan een fysiotherapeut en zijn cliënt ter beschikking werd gesteld voor een behandeling van één uur. De Rechtbank besliste dat A in principe recht op BTW-aftrek had, maar die werd beperkt door het privégebruik van het zwembad dat de inspecteur had geschat op 389/772e deel. Volgens de Rechtbank had A niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van geen of een verwaarloosbaar klein privégebruik. Volgens de Rechtbank was het zwembad als deel van de woning ontworpen, was er een vrije toegang tot de tuin en maakte het deel uit van het gebouw dat als woning diende. Het was daarom volgens de Rechtbank niet aannemelijk dat, naar de bestemming van het zwembad, het privégebruik minder – en omgekeerd het gebruik voor bedrijfsactiviteiten hoger – was dan door de inspecteur in beroep was gesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond.

Twitter
Facebook
LinkedIn