Fiscaal Blog
20-06-2012
Op rekening van ex betaalde kinderalimentatie was geen partneralimentatie
X was gescheiden van mevrouw Y en had met haar twee in 2006 geboren kinderen. Hij had in 2006 € 3.120 kinderalimentatie overgemaakt naar de bankrekening van mevrouw Y. Dit bedrag had hij in zijn aangifte IB 2006 in mindering gebracht als betaalde alimentatie. Toen de inspecteur slechts een forfaitair bedrag van € 2.709 terzake van de kinderalimentatie accepteerde, ging X in beroep. Hij stelde dat de naar de bankrekening van mevrouw Y overgemaakte kinderalimentatie kon worden aangemerkt als onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001. Door de maandelijkse bedragen naar de bankrekening van mevrouw X over te maken in plaats van naar de bankrekening van de kinderen, was volgens X sprake van volledig aftrekbare partneralimentatie. Hof Amsterdam besliste op het hoger beroep van X dat hem kon worden toegegeven dat zijn uitleg aansloot bij de letterlijke tekst van artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001. De in deze bepaling opgenomen opsomming was echter ontleend aan artikel 45, lid 1, Wet IB 1964. Hierin was bepaald dat het ging om periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks voortvloeiden uit het familierecht, voorzover zij niet afkomstig waren van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad in de zijlijn. Het Hof verwees naar een arrest van 22 november 2000. Hierin had de Hoge Raad beslist dat het feit dat periodieke uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen die op grond van het familierecht rechtstreeks toekwamen aan, en dus werden genoten door de kinderen, uitkeringen waren in de zin van artikel 30, lid 1, letter b, Wet IB 1964. Het feit dat deze uitkeringen voor minderjarige kinderen moesten worden betaald aan de voogd of de ouder die hen verzorgde en opvoedde, bracht niet mee dat de uitkeringen door deze voogd of ouder werden genoten. Het Hof besliste dat de inspecteur de kinderalimentatie terecht had gekwalificeerd als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar, in de zin van artikel 6.13 Wet IB 2001. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.
Alle berichten uit Viditax dagelijks ontvangen?

Geef een reactie