Fiscaal Blog
16-02-2012
Niet aan werkelijk privégebruik gekoppelde BTW-correctie op auto niet EU-proof
Van Laarhoven exploiteerde een belastingadvieskantoor. Tot zijn ondernemingsvermogen behoorden achtereenvolgens twee auto’s, die hij zowel privé als zakelijk gebruikte. In 2006 reed Van Laarhoven meer dan 500 kilometer privé met de auto’s. Hij was het niet eens met de BTW over het privégebruik en stelde dat artikel 15 Uitvoeringsbeschikking OB in strijd was met de Zesde BTW-Richtlijn. De Hoge Raad legde prejudiciële vragen voor aan het EU-Hof van Justitie. Het EU-Hof heeft thans beslist dat artikel 6, lid 2, sub a, Zesde BTW-Richtlijn het gebruik voor privédoeleinden gelijk stelde aan een dienst die onder bezwarende titel was verricht, en dat op grond van artikel 11, A, lid 1, sub c, Zesde BTW-Richtlijn BTW moest worden geheven op basis van de door de belastingplichtige voor de dienstverrichting gemaakte uitgaven. De lidstaten hadden volgens het EU-Hof voor de bepaling van het bedrag van die uitgaven een zekere beoordelingsvrijheid en mochten tot op zekere hoogte ook een forfaitaire berekeningsmethode hanteren, maar een dergelijke forfaitaire bepaling moest noodzakelijkerwijs wel evenredig zijn aan de omvang van het privégebruik van het goed. Het was volgens het EU-Hof aan de nationale rechter om na te gaan of de wijze van berekening van de maatstaf van heffing voor de BTW die was verschuldigd over het privégebruik van een tot het ondernemingsvermogen bestemd goed, verenigbaar was met het begrip "de door de belastingplichtige voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven" in de zin van artikel 11, A, lid 1, sub c, Zesde BTW-Richtlijn. Een forfaitaire berekeningsmethode die niet op proportionele wijze rekening hield met de daadwerkelijke omvang van dat gebruik, was volgens het EU-Hof in strijd met de Zesde BTW-Richtlijn.
Alle berichten uit Viditax dagelijks ontvangen?

Geef een reactie