Fiscaal Blog

16-05-2012

Geen aftrek van verlies op zonder zekerheden doorgeleende gelden

X en F bezaten ieder 50% van de aandelen BV E. BV E kocht in 1998 de aandelen in damesmodebedrijf BV G, die de merknaam waarvan BV E eigenaar was, mocht exploiteren. Begin 1998 sloot BV G met twee andere ondernemingen een voorovereenkomst tot een joint venture. Een jaar later werd duidelijk dat de samenwerking niet tot stand zou komen. BV G had op dat moment € 136.134 aan startactiviteiten voorgefinancierd. In juni 1999 sloot BV G een kredietovereenkomst met J en in juli 1999 met de heer K. X en F stelden zich voor deze leningen mede aansprakelijk en stortten gezamenlijk € 68.067 in BV G. Tussen 2000 en 2003 verstrekten X en F vier leningen voor een totaalbedrag van € 447.819 aan BV E. In de leningovereenkomsten werd telkens opgenomen dat de geldlening werd gebruikt om de opgelopen verliezen van de 100%-dochter van BV E, BV G te financieren. In oktober 2005 werd het faillissement van BV G uitgesproken. X claimde in zijn aangifte IB 2003 een verlies wegens terbeschikkingstelling van € 223.910. De inspecteur weigerde aftrek van het afwaarderingsverlies. X ging in beroep. Hof Amsterdam besliste dat vanaf begin 1999 duidelijk was dat de inkomsten uit de exploitatie van de merknaam nihil zouden zijn en BV G en BV E geen inkomsten zouden genereren. Vanaf dat moment was volgens de Rechtbank ook duidelijk dat de BV’s nooit aan hun terugbetalingsverplichtingen zouden kunnen gaan voldoen. Het feit dat X in privĂ© leningen was aangegaan waarvoor hij in privĂ© zekerheden had verstrekt en deze bedragen vervolgens als een "doorgeefluik" zonder zekerheden had doorgeleend, was volgens het Hof een aanwijzing dat het "doorlenen" had plaatsgevonden in het kader van de aandeelhoudersrelatie en dus in de vorm van kapitaal. Volgens het Hof moesten de leningen worden aangemerkt als bodemlozeputleningen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Alle berichten uit Viditax dagelijks ontvangen?

Geef een reactie