Fiscaal Blog

26-06-2012

Afwezigheid concernvereiste leidde tot naheffing overdrachtsbelasting

Vader A dreef tot 1 januari samen met zijn zoon B firma D. Tot het firma-aandeel behoorde de onverdeelde helft van een bedrijfspand. Daarnaast was A enig aandeelhouder van BV E. A bracht op 22 november 2005 zijn firma-aandeel per 1 januari 2005 in BV E in. Daarbij was een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel e, WBR. Na de inbreng was op dezelfde datum het firma-aandeel met het bedrijfspand door BV E ingebracht in BV X, waarvan BV E 100% van de aandelen bezat. Daarbij was de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR toegepast. Op 2 januari 2007 leverde BV E haar aandelen in BV X aan een BV waarvan alle aandelen werden gehouden door zoon B. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. BV X ging in beroep en stelde dat artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR een ongerechtvaardigd onderscheid maakte doordat deze faciliteit niet rechtsvormneutraal was. Er zou volgens BV X geen overdrachtsbelasting zijn geheven als de bedrijfsopvolging had plaatsgevonden met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR. De situatie van inbreng van een onderneming (inclusief een onroerende zaak) in een vennootschap waarvan vader indirect alle aandelen had, welke aandelen hij overdroeg aan zijn zoon was volgens BV X gelijk te stellen met de situatie waar artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR op zag. Rechtbank De Haag was het daar niet mee eens. De naheffingsaanslag was opgelegd terzake van de verkrijging door BV X van BV E omdat niet was voldaan aan het concernvereiste van artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR. De Rechtbank zag niet in dat hier sprake was van een (indirecte) verkrijging door een kind van een goed dat behoorde tot en dienstbaar was aan de onderneming van de ouder. De aandelen BV E waren immers in handen van de vader en de aandelen in BV X waren in handen van BV E. De zoon was dus direct noch indirect bij de verkrijging door BV X betrokken. Op het moment dat de BV van zoon B de aandelen in BV X (en daarmee het pand) verkreeg was het pand niet dienstbaar aan de onderneming van de vader maar aan de onderneming van BV X. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Alle berichten uit Viditax dagelijks ontvangen?

Geef een reactie