KB Lux-stukken zijn "op de zaak betrekking hebbende stukken"
Naast het in het voorgaande artikel (zie FutD 2008-0891 met ons commentaar) opgenomen arrest over de reikwijdte van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Hoge Raad op 25 april 2008 nog een arrest gewezen waarin werd beslist dat artikel 8:42 van de Awb zó moet worden uitgelegd dat aan een gemotiveerd verzoek van een belastingplichtige tot overlegging van een bepaald stuk, dat volgens hem van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, moet worden tegemoet gekomen, tenzij sprake is van een gerechtvaardigde weigering door de inspecteur op grond van artikel 8:29 van de Awb of van een uitzonderingsgeval, zoals misbruik van procesrecht. Daarnaast besliste de hoogste rechter in dit arrest voor het eerst en duidelijk dat de stukken die de gemachtigden van vermeende KB Lux'ers steeds hebben opgevraagd, zoals het draaiboek, de nieuwsbrieven en de microfiches, moeten worden aangemerkt als "op de zaak betrekking hebbende stukken" als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb.
Hieraan vooraf ging een uitspraak van Hof Den Haag (zie FutD 2006-1239 met ons commentaar) die op 23 juni 2006 uitspraak deed op het beroep van een belastingplichtige die ontkende ooit een bankrekening bij de KB Lux te hebben gehad. Hof Den Haag besliste dat de inspecteur afschriften van alle microfiches en het volledige draaiboek en de nieuwsbrieven geanonimiseerd moest overleggen. Verder was het Hof van mening dat de microfiches niet als onrechtmatig verkregen bewijs konden worden aangemerkt. Het Hof vond dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontkenners houder waren (geweest) van een bankrekening bij de KB Lux. De bewijslast moest worden omgekeerd en de ontkenners waren er volgens het Hof niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat de navorderingen onjuist waren. Het Hof was het ook eens met de berekeningswijze van de navorderingsaanslagen. Daarin zat weliswaar een zekere grofheid, waarop kritiek mogelijk was, maar op zichzelf bezien was die volgens het Hof niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortkomende schatting van inkomens en vermogens niet redelijk zou zijn. Het Hof handhaafde tot slot ook de boete van 100%. De ontkenner ging in cassatie.
De Hoge Raad verwierp de stelling van X dat de microfiches als onrechtmatig verkregen bewijs moesten worden aangemerkt en verwees daarvoor naar zijn arrest van 21 maart 2008 (zie FutD 2008-0608 met ons commentaar). Vervolgens ging de Hoge Raad uitgebreid in op de stelling van X dat de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, het draaiboek en de nieuwsbrieven ongeanonimiseerd in het geding moesten worden gebracht. De Hoge Raad overwoog dat uit de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel (zie FutD 2007-0713) bleek dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hadden gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter op grond van de artikelen 8:29 en 8:42 van de Awb moesten worden overgelegd, voorzover de inspecteur zich niet met succes kon beroepen op gewichtige redenen die zich tegen overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). Vervolgens besliste de Hoge Raad (met dezelfde overwegingen die wij hiervoor in FutD 2008-0891 citeerden) dat artikel 8:42 van de Awb aldus moest worden uitgelegd dat tegemoet moest worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd had gesteld dat het stuk van enig belang kon zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, tenzij sprake was van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht.
Vervolgens besliste de Hoge Raad dat X voldoende gemotiveerd had gesteld dat de integrale tekst van het draaiboek rekeningenproject, de nieuwsbrieven, de originele microfiches en originele afdrukken daarvan van enig belang konden zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, omdat deze stukken door verschillende feitenrechters in vergelijkbare gevallen waren aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, onder meer omdat het draaiboek feitelijke informatie bevatte waarop de Belastingdienst zich bij het opleggen van de aanslag en de boete had gebaseerd. Volgens de Hoge Raad moest de inspecteur deze stukken overleggen voorzover hij zich niet of niet met succes kon beroepen op artikel 8:29 van de Awb of misbruik van procesrecht. De Hoge Raad stelde X op dit punt in het gelijk. De Hoge Raad liet de overige geschilpunten onbehandeld, omdat het overleggen van de stukken nieuw licht zou kunnen werpen op die geschilpunten. De Hoge Raad overwoog tot slot ambtshalve tot het aanhouden van de zaak, omdat hij het antwoord van het EG-Hof van Justitie wilde afwachten op de prejudiciële vragen die de Hoge Raad op 21 maart 2008 had gesteld over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.