KB Lux-dossier

Termijn undue delay startte bij eerste vragenbrief fiscus

Rechtbank Arnhem heeft op 7 november 2007 beslist dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) bij een onderzoek van de Belastingdienst naar een buiten het zicht van de fiscus gehouden bankrekening aanving op de datum waarop de vermeende rekeninghouder de eerste vragenbrief van de Belastingdienst had ontvangen. Dit is de eerste rechterlijke uitspraak waarin dit expliciet is beslist. De zaak lag als volgt:

Begin 2003 kwam bij de Belastingdienst een brief van een anonieme tipgever binnen over de toen 75-jarige X. Eind 2003 ontving de Belastingdienst een tweede klikbrief over X. Die was ditmaal afkomstig van een familielid van X die vertelde dat X naar eigen zeggen over een aanzienlijk banktegoed bij een bank in Duitsland beschikte. Naar aanleiding hiervan stuurde de Belastingdienst op 24 november 2003 een standaardvragenbrief uit het rekeningenproject naar X, waarin hem werd verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken middels de bijgevoegde opgaaf buitenlands vermogen. Daarbij werden tevens vergrijpboeten aangekondigd. Naar aanleiding van deze brief nam de dochter van X telefonisch contact op met de inspecteur, waarbij zij aangaf dat zij zich niet kon voorstellen dat haar vader over vermogen in het buitenland beschikte. De inspecteur vatte dit op als een ontkenning van het beweerde. Op 6 januari 2004 liet de gemachtigde van X aan de inspecteur weten dat X bereid was te voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen tot het verschaffen van inlichtingen, maar dat hij graag zou vernemen wat de gronden waren die tot de verdenking hadden geleid dat X onvolledige aangifte zou hebben gedaan. Toen de reactie van de inspecteur uitbleef, overlegde X op 14 mei 2004 drie spaarbankboekjes van de rekeningen die hij aanhield bij een Duitse bank. Op 24 februari 2004 verzond de FIOD/ECD een verzoek tot wederzijdse bijstand naar het Duitse Ministerie van Financiën, waarop de Belastingdienst op 23 juni 2004 overzichten ontving met de saldi en rente op drie bankrekeningen die X had aangehouden bij de Duitse bank. Er volgden navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over 1993 tot en met 2003 met boeten van 50% en navorderingsaanslagen vermogensbelasting over 1994 tot en met 2000 met eveneens boeten van 50%. X ging in bezwaar, welk bezwaar integraal werd afgewezen. X ging vervolgens in beroep en stelde onder meer dat de gegevens en inlichtingen die de inspecteur op basis van de brief van 24 november 2003 had verkregen als onrechtmatig moesten worden beschouwd, omdat de Belastingdienst in zijn brief aan de Duitse autoriteiten een misleidende voorstelling van zaken had gegeven door te doen als of een onderzoek naar X was ingesteld, terwijl de Belastingdienst alleen over twee niet-geverifieerde klikbrieven beschikte. Verder stelde hij dat de boete moest vervallen in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Arnhem besliste dat de inspecteur de navorderingsaanslagen had gebaseerd op informatie die hij van X zelf had gekregen. Het feit dat over een onderzoek bij X werd gesproken, maakte de later van het Duitse Ministerie van Financiën verkregen inlichtingen volgens de Rechtbank niet onrechtmatig. Verder besliste de Rechtbank ten aanzien van de boeten dat de eerste vragenbrief van de Belastingdienst van 24 november 2003 moest worden aangemerkt als de aanvang van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM, en dat deze termijn was overschreden omdat de Rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn uitspraak had gedaan. De Rechtbank verminderde de vastgestelde boeten met 40%. (Wij ontvingen deze uitspraak van Plas & Bossinade Advocaten, Notarissen, Belastingkundigen en Bedrijfsadviseurs te Groningen, -red.)

Rechtbank Arnhem 7-11-2007, nr. 06/1509 (Fida 20073785)

Ons commentaar
Op grond van artikel 6 van het EVRM heeft iemand die strafrechtelijk wordt vervolgd, recht op berechting van zijn zaak binnen een "redelijke termijn". Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als een strafzaak binnen twee jaar in eerste aanleg is afgerond. De strafkamer van Rechtbank Den Haag (zie FutD 2005-1088 met ons commentaar) verklaarde de Officier van Justitie op 25 maart 2005 niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank ging daarbij uit van de criteria omtrent redelijke termijnen die de strafkamer van de Hoge Raad had neergelegd in zijn arrest van 3 oktober 2000 (zie Fida 200023134). In dit arrest, en in het op 22 april 2005 (zie FutD 2005-0794 met ons uitgebreide commentaar) verschenen arrest van de belastingkamer, gaf de Hoge Raad vuistregels met betrekking tot de redelijke termijn. In deze arresten besliste de Hoge Raad dat een eerste verhoor in zijn algemeenheid niet als de aanvang van de redelijke termijn kon worden aangemerkt. Rechtbank Den Haag merkte het eerste verhoor echter, gezien de inhoud van het verhoor, toch aan als startpunt van de redelijke termijn, in verband met overige uitzonderlijke omstandigheden. Dit leidde per saldo tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens undue delay.

Zover kwam het bij de belastingkamer van Rechtbank Arnhem niet, maar deze uitspraak is de eerste waarin een belastingkamer uitdrukkelijk beslist dat de eerste vragenbrief van de Belastingdienst waarin onmiddellijk al werd gedreigd met het opleggen van een vergrijpboete wegens het doen van onjuiste aangifte, moet worden gezien als het moment van de aanvang van de redelijke termijn. Duidelijker kan het niet. Deze beslissing kan uiteraard worden doorgetrokken naar alle nog lopende zaken in de KB Lux- en Van Lanschot-affaire, waarvan de eerste brieven reeds eind 2000 naar vermeende KB Lux-rekeninghouders werden verzonden. In veel van die zaken is nog geen rechterlijke uitspraak verschenen. Sommige daarvan zijn nog aanhangig bij de Hoge Raad, en deze arresten zullen op zijn vroegst in 2008 worden gewezen. Deze in deze zaken procederende belastingplichtige zullen in elk geval worden beloond met forse kortingen op de boeten!