Rechtbank stelde geen hoge eisen aan redelijke schatting KB Lux-aanslagen
Aan mevrouw X waren over 1992 tot en met 2000 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (IB), gecorrigeerde aanslagen IB 2001 en 2002, en over 1993 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting opgelegd, omdat volgens de Belastingdienst was gebleken dat zij een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux, waarover zij geen informatie wenste te verstrekken. De aanslagen waren verhoogd met een boete van 100%. Op het beroep van mevrouw X besliste Rechtbank Haarlem in de eerste plaats dat de microfiches toelaatbaar waren als bewijsmiddel. De Rechtbank verwierp de stelling van mevrouw X dat uit een tijdschriftartikel volgde dat zich in Nederland enige onregelmatigheid had voorgedaan. Vervolgens zette de Rechtbank ook de stelling van mevrouw X opzij dat op grond van het belastingverdrag met België geen spontane informatie-uitwisseling mocht plaatsvinden, maar dat een dergelijke uitwisseling van informatie uitsluitend op verzoek mogelijk was. Volgens de Rechtbank bevatten het oude en nieuwe belastingverdrag met België een dergelijke beperking niet. De Rechtbank besliste voorts dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat mevrouw X houdster was van een rekening bij de KB Lux. Ondanks de omkering van de bewijslast moest de inspecteur wel een redelijke schatting maken van de verzwegen inkomsten en het vermogen, maar ook hierin was de inspecteur volgens de Rechtbank geslaagd. Daarbij nam de Rechtbank als uitgangspunt dat aan de schatting geen hoge eisen gesteld mochten worden, aangezien de Belastingdienst slechts over beperkte gegevens beschikte en de inspecteur had verklaard dat het niet mogelijk was een relatie te ontdekken tussen de saldi op de microfiches en het aantal rekeningen waarover de rechthebbenden van de saldi beschikten of tussen de saldi op de microfiches en het daadwerkelijke saldo van degenen die op dat punt openheid van zaken hadden gegeven (lijkt ons juist een reden om wel hoge eisen aan de schatting te stellen, -red.). Volgens de Rechtbank had de inspecteur ook terecht aangenomen dat de tegoeden in de gehele periode van 1992 tot en met 2002 hadden bestaan, omdat niets was komen vast te staan omtrent de jaren waarin de rekeningen waren geopend dan wel opgeheven. De Rechtbank vond ook een boete van 100% passend en geboden, maar deze moest nog wel worden verminderd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Rechtbank Haarlem 23-10-2007, nr. 06/2893 (Fida 20073656)