Volgens AG geen relevantiecriterium bij artikel 8:42 AWB
Hof Den Haag (zie FutD 2006-1239 met ons commentaar) deed op 23 juni 2006 uitspraak op het beroep van een belastingplichtige die een vragenbrief van de Belastingdienst in het kader van het KB Lux-onderzoek had ontvangen, maar ontkende ooit een bankrekening bij de KB Lux te hebben gehad. Het Hof besliste dat de verplichting van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zo ver ging dat de inspecteur alle achterliggende stukken in het geding moest brengen. Volgens het Hof was het van belang dat de belanghebbende in staat zou zijn de juistheid van de wél in het geding gebrachte stukken te betwisten. Volgens het Hof hoefde de inspecteur niet de afschriften van alle microfiches en het volledige draaiboek en de nieuwsbrieven geanonimiseerd overleggen. Het Hof handhaafde de navorderingsaanslagen en de boete van 100%.
Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de vermeende KB Lux'er heeft Advocaat-Generaal (AG) Wattel een conclusie uitgebracht waarin hij uiteen heeft gezet dat alle stukken die relevant kunnen zijn voor een zaak moeten worden aangemerkt als "op een zaak betrekking" hebbend in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Dit relevantiecriterium wordt volgens de AG alleen beperkt door de redelijkheid en praktische uitvoerbaarheid. Ook interne en externe adviezen, al dan niet juridisch van aard en al dan niet (proces) positiebepalend, vallen er volgens de heer Wattel onder als zij mede zien op de desbetreffende (soort) zaak. Dit geldt volgens hem ook voor kennisgroepadviezen, interne memo's van controles en adviezen van de lands- of rijksadvocaat. Dat wil volgens de AG echter nog niet zeggen dat die stukken ook overgelegd moeten worden. Uitzonderingen op de overleggingsplicht kunnen vervolgens op artikel 8:29 van de Awb worden gebaseerd, dat wil zeggen op door de rechter te beoordelen "gewichtige redenen", bijvoorbeeld het belang van vrije bepaling van procespositie en bescherming van derden. Volgens de AG moeten in beginsel dus niet alleen de stukken worden overgelegd waarop de fiscus zijn aanslag of boete doet steunen, maar ook stukken waarop hij zich niet beroept, die echter op een andere manier relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld doordat zij licht werpen op het beleid van de fiscus in vergelijkbare gevallen (met name in geval van landelijk gecoördineerde acties en projecten) of doordat zij (anderszins) de positie van de belastingplichtige kunnen versterken. De belastingplichtige mag niet gevraagd worden aannemelijk te maken dat hij belang heeft bij kennisneming in verband met zijn stelplicht of bewijslast of anderszins. De overleggingsplicht dient er volgens de AG juist toe de belanghebbende in staat te stellen te onderzoeken óf hij belang heeft bij het aanvoeren van hetgeen die stukken behelzen. Artikel 8:42 van de Awb vraagt niet om een belangenafweging; die wordt pas gemaakt bij de toepassing van artikel 8:29 van de Awb als het bestuursorgaan een beroep doet op "gewichtige redenen" voor geheimhouding. Welke stukken relevant zijn en welke redenen gewichtig zijn, wordt bepaald door de rechter.
Hof Den Haag had volgens de AG de vraag of de gevraagde stukken op de zaak betrekking hebben, in het kader van de stelplicht en bewijslastverdeling geplaatst en zonder kennisneming van de stukken geoordeeld dat de belanghebbende geen belang had bij kennisneming. Volgens de AG moet de uitspraak van Hof Den Haag worden vernietigd. De Hoge Raad, kan volgens de AG, "gelet op de voetstootse relevantie van de stukken, zelf beslissen dat de stukken op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 van de Awb, en de zaak verwijzen voor het beroep van de fiscus op gewichtige redenen voor geheimhouding van artikel 8:29 van de Awb. (De conclusie ontvingen wij van mr. J.H. Sligchers van advocatenkantoor Mr. Sligchers te Maastricht. Zie ook FutD 2007-0499 en FutD 2007-0594 (beide met ons commentaar) voor andere conclusies van Advocaat-Generaal Wattel in de KB Lux-affaire, -red.)
Conclusie Advocaat-Generaal 3-4-2007, nr. 43448 (Fida 20071285)