KB Lux-dossier

Vaststellingsovereenkomst KB Lux volgens Wattel ongeldig

Op 13 mei 2005 verklaarde Hof Amsterdam de tussen een rekeninghouder van de KB Lux ("meewerker") en de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig (zie FutD 2005-1016). Nadat de bekennende mevrouw X op de beruchte vragenbrief van de inspecteur inzake het onderzoek naar buitenlandse banktegoeden had laten weten dat zij houder was van een rekening bij de KB Lux, tekende zij de door de inspecteur opgestelde vaststellingsovereenkomst en ontving naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998. Mevrouw X deed in de vaststellingsovereenkomst afstand van rechtsmiddelen, en verklaarde daarmee dat zij geen bezwaar zou maken en ook niet in beroep zou gaan tegen de navorderingsaanslag. Later bedacht zij zich en diende zij alsnog een bezwaarschrift in. Toen een uitspraak op het bezwaar uitbleef, ging mevrouw X in beroep. Zij stelde dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig was.

Hof Amsterdam (zie FutD 2005-1016) verklaarde mevrouw X ontvankelijk in haar bezwaar en beroep, omdat zij zich op het standpunt had gesteld dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig was. Indien die stelling onjuist mocht blijken te zijn, dan leidde de afstand van rechtsmiddelen in de vaststellingsovereenkomst tot de ongegrondheid van het bezwaar en beroep. Het Hof besliste vervolgens dat de vaststellingsovereenkomst wél rechtsgeldig was. Volgens het Hof was het niet aannemelijk geworden dat mevrouw X onder druk was gezet of dat zodanige aandrang op haar was uitgeoefend dat zij niet vrij was geweest in haar beslissing zich al dan niet akkoord te verklaren met de inhoud van de overeenkomst. Er was volgens het Hof ook geen sprake geweest van misbruik van omstandigheden of van een handelwijze die anderszins indruiste tegen de in acht te nemen zorgvuldigheid, dat de inspecteur in redelijkheid mevrouw X niet aan de vaststellingsovereenkomst zou mogen houden. Het Hof verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Naar aanleiding van het door mevrouw X ingestelde beroep in cassatie heeft Advocaat-Generaal (AG) Wattel een conclusie uitgebracht. De AG stelde voorop dat het Hof mevrouw X terecht ontvankelijk had verklaard. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt namelijk dat de belastingrechter bevoegd is om te oordelen over de geldigheid van een vaststellingsovereenkomst tussen fiscus en belastingplichtige, en met name over de vraag of gedwaald is. Vervolgens overwoog de AG dat de ambtenaren van de Belastingdienst die bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst waren betrokken en de navorderingsaanslag hadden opgelegd, de eisen van fair play en zorgvuldigheid onvoldoende hadden nageleefd. Zo had (de niet-bijgestane) mevrouw X feitelijk geen bedenktijd gehad, laat staan gelegenheid om alsnog fiscaal advies in te winnen na de bespreking met de ambtenaren. De ambtenaren hadden gezegd dat zij er "beter aan zou doen" om ter plekke te tekenen. Verder bleek uit de verklaringen van mevrouw X en van de ambtenaren dat mevrouw X zich gedurende het lange en pauzeloze gesprek wat onwel begon te voelen en had aangegeven dat zij wat wilde eten, waarop haar slechts meegedeeld was dat de kantine was gesloten. Volgens de heer Wattel is in deze zaak sprake geweest van undue influence en heeft die influence de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst aangetast. Door het ontbreken van voldoende fair play en zorgvuldigheid kan mevrouw X volgens de AG niet aan de vaststellingsovereenkomst worden gehouden. De heer Wattel adviseerde de Hoge Raad het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak van het Hof te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander Hof. (Deze conclusie ontvingen wij van advocaat mr. S. Bharatsingh uit Hilversum, -red.)

Conclusie Advocaat-Generaal 15-3-2007, nr. 42257 (Fida 20070977)

Ons commentaar
Hof Arnhem vernietigde op 25 oktober 2006 (zie FutD 2006-1958 met ons commentaar) de boeten bij navorderingsaanslagen die waren opgelegd aan een meewerker in de KB Lux-affaire, omdat de Belastingdienst de op de zaak betrekking hebbende stukken, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van het Hof, niet openbaar wilde maken. Na een bericht in de dagbladpers over deze uitspraken meldde een KB Lux'er zich bij inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam. Hij stelde dat hij destijds een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst had getekend omdat hij overdonderd was geraakt en daardoor open kaart had gespeeld, zonder dat hij was bijgestaan door een advocaat of fiscaal jurist (zie FutD 2006-2314). Hij verzocht de inspecteur de aan hem opgelegde boeten te vernietigen. De inspecteur verklaarde het bezwaar van deze man wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk. Vervolgens besliste de inspecteur dat hij ook ambtshalve niet tegemoet kwam aan de grieven van de spijtoptant, omdat verschillende gerechtshoven al hadden beslist dat de vaststellingsovereenkomsten die in het kader van de KB Lux-zaken waren afgesloten rechtsgeldig tot stand waren gekomen. Als de Hoge Raad het advies van Advocaat-Generaal Wattel opvolgt, dan kan de Belastingdienst zijn borst natmaken. Voor de meewerkers die onder meer via het Nauta-protocol een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, zal deze conclusie en het mogelijk gelijkluidend arrest van de Hoge Raad ons inziens geen soelaas bieden, alleen al omdat deze mensen zich hebben laten bijgestaan door een professionele gemachtigde.