Geheimhoudingsneurose wordt fiscus fataal in KB Lux-zaken
De geforceerde geheimhoudingsdrift in de KB Lux-affaire is de Belastingdienst fataal geworden in fiscale procedures tegen belastingplichtigen aan wie de Belastingdienst navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/vermogensbelasting met boeten had opgelegd. De tweede meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem heeft namelijk op 25 oktober 2006 deze navorderingaanslagen en boeten van tafel geveegd, omdat de fiscus maar bleef weigeren om de op de zaak betrekking hebbende stukken openbaar te maken. In een tussenuitspraak van 20 april 2006 besliste de eerste meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem (zie FutD 2006-0786 met ons commentaar) dat de inspecteur de ongeschoonde versie van het draaiboek en de nieuwsbrieven in het kader van het rekeningenproject moest overleggen, omdat deze stukken moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deze stukken naar vorm en inhoud als één geheel moesten worden beschouwd. Volgens het Hof was het namelijk een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht dat een belanghebbende kon beschikken over alle stukken die met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berustten. Na deze uitspraak heeft Hof Arnhem op 25 oktober 2006 beslist dat het niet-openbaar maken van de stukken het fundament van een goede rechtspleging raakt. Het Hof strafte dit genadeloos af met de zware sanctie van de gegrondverklaring van het beroep van de vermeende KB Lux'ers. Het betrof in de ene zaak een zogenoemde ontkenner aan wie navorderingsaanslagen met boeten van 100% waren opgelegd en in de andere zaak een meewerker aan wie navorderingsaanslagen met boeten van 50% waren opgelegd. Het Hof gebruikte daarbij de volgende overwegingen (wij citeren de overwegingen in verband met het belang ervan voor de praktijk):
"4.9. In dit verband is het volgende van belang. De rechtsstrijd van partijen ten overstaan van de rechter wordt beheerst door de algemene beginselen van procesrecht, die onder meer meebrengen dat de partijen in die strijd als gelijken tegenover elkaar staan, en dat het toezicht op de procesorde en de taak van de waarheidsvinding zijn toevertrouwd aan de rechter (HR 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160; zie FutD 1988-0194 met ons commentaar, -red.). Die gelijkheid van partijen en de waarheidsvinding komen ernstig in het gedrang, indien - zoals hier - het bestuursorgaan weigert, ook nog nadat rechterlijke toetsing heeft plaatsgehad, voor de zaak relevante stukken in te brengen.
4.10. Voorts is van belang dat een inspecteur, hoewel hij in een procedure voor de bestuursrechter in belastingzaken een aan een belanghebbende gelijkwaardige procespartij is, zijn hoedanigheid van bestuursorgaan niet verliest. Uit dien hoofde is hij gehouden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. De door de Inspecteur voor de eerste meervoudige belastingkamer aangevoerde argumenten met betrekking tot de weigering om de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven over te leggen zijn door de rechter, via de met waarborgen omklede procedure van artikel 8:29 van de Awb, gewogen doch te licht bevonden. Niettemin is de Inspecteur, na daartoe meermalen in de gelegenheid te zijn gesteld en waarbij hij is gewezen op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, blijven weigeren de integrale versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven over te leggen. Deze handelwijze van de Inspecteur druist naar het oordeel van het Hof in tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht. Dat de Inspecteur niet gerechtigd is (aanstonds) tegen de beslissing beroep in cassatie aan te tekenen en dat, naar hij stelt, het overleggen van de desbetreffende stukken in feite volledige openbaarmaking zou betekenen, doet daaraan niet af.
4.11. De handelwijze van de Inspecteur raakt het fundament van een goede rechtspleging. De welbewust door hem veroorzaakte schending hiervan acht het Hof zo ernstig, dat in dezen naar het oordeel van het Hof geen andere sanctie kan plaatsvinden dan de zware - maar ook door de wetgever genoemde - sanctie van een gegrondverklaring van het beroep van belanghebbende. De gevolgen die aan een dergelijke zware sanctie zijn verbonden kan de Inspecteur in ogenschouw nemen (en dat zal hij naar 's Hofs overtuiging ook in het onderhavige geval hebben gedaan) bij het afwegen van alle betrokken belangen indien hij staat voor de vraag of hij uitvoering zal geven aan een rechterlijke uitspraak. Kennelijk heeft de Inspecteur zijn belang bij het niet overleggen van de onderhavige stukken van groter gewicht geacht dan zijn belang bij een eventuele bevestiging door dit Hof van de thans bestreden uitspraken op bezwaar.
4.12. Het Hof zal de vorenbedoelde sanctie daarom toepassen. Het beroep is reeds daarom gegrond. De door belanghebbende aangevoerde klachten behoeven geen behandeling." (einde citaat)
(De zaken werden gevoerd en gewonnen door respectievelijk drs. K. Leget van Leget & Co Belastingadviseurs te Oss en Mr. M. Hendriks van Jaegers & Soons advocaten-belastingkundigen te Nijmegen, -red.)
Hof Arnhem 25-10-2006, nr. 04/01343 (Fida 20063390) en nr. 05/00077 (Fida 20063391)
Ons commentaar
Op grond van artikel 8:42 van de Awb is de Belastingdienst verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te geven. In de KB Lux-procedures is het al enige tijd de vraag wat onder "op de zaak betrekking hebbende stukken" moet worden verstaan. Hof Den Bosch (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar) besliste vorig jaar dat de stukken die de Belastingdienst geheim wilde houden, moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, die openbaar gemaakt moesten worden met name omdat hierin het beleid was geformuleerd waarop de inspecteur zijn standpunt baseerde. Toen de inspecteur bleef weigeren de geheime passages leesbaar te maken (zie FutD 2005-0989), verbond een meervoudige belastingkamer van Hof Den Bosch daaraan later ook materiële gevolgen. Het Hof vernietigde namelijk de navorderingsaanslagen en boeten (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar). Vervolgens besliste Hof Amsterdam (zie FutD 2006-0741 met ons commentaar) dat de Belastingdienst niet het integrale draaiboek en de nieuwsbrieven hoefde te overleggen, waarna Hof Arnhem de inspecteur op 20 april 2006 (zie FutD 2006-0786 met ons commentaar) opdroeg de ongeschoonde versie van het draaiboek en de nieuwsbrieven in te brengen, terwijl ditzelfde Hof (maar wel een andere kamer) op 29 augustus 2006 (zie FutD 2006-1586 met ons commentaar) tot de conclusie kwam dat een nagenoeg identiek draaiboek buitenlands vermogen niet ter inzage hoefde te worden gegeven (terwijl in die laatste zaak de rechtmatigheid van het overheidshandelen niet ter discussie stond en in de KB Lux-zaken wel). Ditzelfde Hof vaart op 26 oktober 2006 in een KB Lux-zaak een geheel andere koers en komt tot de conclusie dat de inspecteur die niet voldoet aan de herhaalde vordering van het Hof om alle stukken met betrekking tot het rekeningenproject in te brengen, "gestraft" moet worden met vernietiging van de navorderingsaanslagen en boeten. En zo heeft de geheimhoudingsneurose van de Belastingdienst tot gevolg dat de vermeende KB Lux-rekeninghouders die steeds hebben ontkend over een bankrekening te beschikken bij de KB Lux of weigerden hierover nadere informatie te verschaffen, bij het ene Hof financieel ongeschonden uit de strijd komen en bij het andere Hof de beurs kunnen openmaken om de navorderingsaanslagen met 100% te betalen. En zo kregen de meewerkers bij het ene Hof een boete van 50% voor hun kiezen, en is deze thans bij Hof Arnhem ook geheel van de baan. Bij het ene Hof krijgt de belastingplichtige op louter formele gronden wegens schending van goede rechtspleging gelijk en bij het andere Hof worden alle aspecten van de zaak met betrekking tot de materiële belastingschuld zoals de (on)rechtmatighheid van het verkregen bewijs, de berekeningswijze van de aanslagen, de zwijgplicht e.d. uit en te na onder de loep genomen en alle argumenten van de belastingplichtige terzijde geschoven. Deze ongelijkheid in de rechterlijke aanpak van de problematiek is zeer slecht voor het vertrouwen en de rechtszekerheid dat burgers in een rechtsstaat (moeten kunnen) hebben.
Het geeft vertrouwen in de rechterlijke macht als het, zoals de tweede meervoudige kamer van Hof Arnhem, zoveel waarde hecht aan een goede rechtspleging. Het Hof vindt dat de gelijkheid van partijen en de waarheidsvinding ernstig in het gedrang komen als de Belastingdienst weigert de voor de zaak relevante stukken in te brengen, zelfs nadat de rechter hierover eerder heeft beslist dat hij dit moet doen. Op de welbewuste schending van het fundament van een goede rechtspleging kon volgens het Hof dan ook geen andere sanctie plaatsvinden dan een gegrondverklaring van het beroep van de vermeende rekeninghouders. Dat gold zowel in de procedure waarin sprake was van een ontkennende belastingplichtige (Fida 20063390) die zowel tegen de navorderingsaanslagen als tegen de 100% boeten in beroep ging, als in de procedure van de meewerkende belastingplichtige die "slechts" over de boeten procedeerde (Fida 20063391). De reikwijdte van deze uitspraak is groot. De Belastingdienst moet er na deze uitspraak voor vrezen dat zij ook in niet-KB Lux-procedures verplicht zal worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden, zonder dat de procederende belastingplichtige aannemelijk hoeft te maken dat hij belang heeft bij die stukken.
Tot slot willen wij u een opmerking die een van de betrokken inspecteurs tijdens de zitting had gemaakt niet onthouden. Zij stelde dat in de KB Lux-affaire de stukken wél openbaar werden gemaakt, en wees in dat verband naar de publicaties in Fiscaal up to Date. Wij danken deze inspecteur voor de eer, maar vragen ons wel af waarom de Belastingdienst dan bleef weigeren de stukken te overleggen en openbaar te maken. De prijs voor de geheimhoudingsneurose die de Belastingdienst moet betalen is zo hoog, dat de hierdoor des te meer het gevoel ontstaat dat wat niet prijsgegeven wordt, wel héél geheim moet zijn en blijven. En dat geeft te denken.