Rechtbank negeert verklaring voormalig KB Lux-projectleider
X had van de Belastingdienst een brief ontvangen waarin stond dat uit een onderzoek was gebleken dat hij een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux en waarin hij werd verzocht inlichtingen en gegevens hierover te verstrekken. X erkende dat hij over een rekening bij de KB Lux beschikte, maar weigerde verdere informatie te verstrekken. De inspecteur corrigeerde de aanslag inkomstenbelasting 2001 met een geschat inkomen uit sparen en beleggen van € 20.000 plus een vergrijpboete van 100%. X ging in beroep.
Rechtbank Haarlem verwierp allereerst de stelling van X dat hij recht had op en belang had bij openbaarmaking van de integrale en ongecensureerde tekst van het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject. De Rechtbank verwees hierbij naar een uitspraak waarin Hof Amsterdam (zie FutD 2006-0741 met ons commentaar) had beslist dat de Belastingdienst kon volstaan met overlegging van de stukken in de vorm waarover X reeds beschikte. De Rechtbank zag geen aanleiding de Belastingdienst te verplichten tot het overleggen van meer dan dat.
Vervolgens verwierp de Rechtbank de stelling van X dat sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs. Volgens de Rechtbank was er geen sprake van dat het gebruik van de door de Nederlandse fiscus van de Belgische autoriteiten ontvangen gegevens zozeer indruiste tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mocht worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moest worden geacht. De wijze waarop de gegevens aan de Nederlandse Belastingdienst waren aangeboden, kon volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als een ontoelaatbare wijze van verkrijging. Dat de gegevens, alvorens in handen te komen van de Belgische overheid, waarschijnlijk waren ontvreemd bij de KB-Lux, maakte het gebruik niet ontoelaatbaar. Dat zou volgens de Rechtbank mogelijk anders zijn geweest indien de Belgische overheid zelf de hand zou hebben gehad in de ontvreemding van die microfiches, maar daarvoor was geen enkele aanwijzing en dat hoefde de Nederlandse Belastingdienst ook niet te veronderstellen of te onderzoeken. Hier deed volgens de Rechtbank niet aan af dat geen duidelijkheid kon worden verkregen over de exacte wijze waarop de door werknemers van de KB Lux ontvreemde gegevens in handen van de Belgische opsporingsautoriteiten waren gekomen.
Tot slot besteedde de Rechtbank veel aandacht aan een verhoor van getuige A, de voormalig projectleider voor de FIOD-ECD van het Rekeningenproject (naar wij begrijpen betreft het de heer Apeldoorn, -red.). A had tegenover de gemachtigde van X verklaard (wij citeren): "Het staat voor mij als een paal boven water, dat er in België iets gebeurd is dat het daglicht niet kan verdragen." Tijdens één van de bezoeken van A aan de Belgische autoriteiten had een mr. R tijdens een borrel aan A meegedeeld dat hij hem kon vertellen wat er feitelijk gebeurd was. A had daar naar zijn zeggen op geantwoord dat hij dit niet wilde weten. A verklaarde verder dat hij in het proces-verbaal van ambtshandeling alleen de formele contacten met mr. R had opgenomen en dat hij geen verdere wetenschap uit informele contacten had. Een contact na het drinken van een paar borrels rekende hij daar niet toe, omdat hij dan niet kon instaan voor de waarheid van wat er was verklaard. Tot slot bevestigde A voor de Rechtbank dat hij op het kantoor van de gemachtigde van X had verklaard dat het gehele project zou staan of vallen met zijn uitlatingen. Volgens A zou een gesprek met mr. R licht op de zaak werpen. Voor de Rechtbank was ook de verklaring van de getuige geen aanleiding voor de conclusie dat de stukken van de KB Lux op een jegens X als onrechtmatig te kenschetsen wijze waren verkregen. Uit die verklaring kon volgens de Rechtbank ook niet worden afgeleid dat er zo sterke aanwijzingen van onrechtmatigheid waren dat verder onderzoek naar de gang van zaken in België nodig was voordat de gegevens door de Belastingdienst konden worden gebruikt, of dat de Rechtbank in deze procedure zonder dergelijk onderzoek geen acht zou mogen slaan op deze gegevens en het materiaal dat op grond daarvan verder was verkregen. De persoonlijke meningen, overtuigingen en conclusies van één medewerker van de Belastingdienst, al ging het daarbij om de voormalig projectleider voor de FIOD-ECD van het Rekeningenproject, noch de zinspelingen van een borrelende Belgische opsporingsambtenaar op mogelijke nadere kennis die deze van de feitelijke gang van zaken in België zou hebben gehad, konden als zodanige "sterke aanwijzingen" worden gekwalificeerd. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. (De gemachtigde van X, mr. S. Bharatsingh van Bharatsingh Advocaten-Belastingadviseurs te Hilversum heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van Rechtbank Haarlem, -red.)
Rechtbank Haarlem 24-8-2006, nr. 05/4623 (Fida 20062865)