KB Lux-dossier

Hof Amsterdam nuanceert openbaarmaking KB Lux-stukken

Na Hof Den Bosch heeft thans ook Hof Amsterdam (zie ook FutD 2006-0145) uitspraak gedaan in de zogenoemde 8:29-procedure waarin de Belastingdienst weigerachtig bleef om delen van het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject te overleggen. Hof Amsterdam heeft naar aanleiding van verzoeken van Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda en Jaegers & Soons advocaten-belastingkundigen te Nijmegen het volgende beslist:

Vervolgens besliste het Hof dat de geheim te houden informatie moest worden onderscheiden van de informatie welke zag op het door de Belastingdienst in het KB Lux-project gevoerde beleid ter zake van (aspecten van) opsporing en navordering, alsmede van administratiefrechtelijke en strafrechtelijke vervolging. Deze beleidsmatige informatie moest volgens het Hof zonder meer bekend worden gemaakt, opdat de belastingplichtige kon toetsen of hij in overeenstemming met het aldaar geformuleerde beleid was behandeld. Tot deze categorie informatie behoorde volgens het Hof ook de tussentijdse cijferoverzichten en passages met andere statistische gegevens inzake de voortgang van het KB Lux-project, de informatie betreffende de renseignementen en de overige kwantitatieve (inclusief geografische) informatie betreffende het project. De Belastingdienst moet de stukken die openbaar gemaakt moeten worden binnen één week na 19 april 2006 aan de belastingplichtige ter beschikking stellen.

In de uitspraak kwamen nog twee punten aan de orde, die niet onvermeld mogen blijven, namelijk:

  1. Het Hof verwierp de stelling van de inspecteur dat uit de wetsgeschiedenis volgde dat de 8:29-vraag - steeds - moest worden beantwoord door de kamer die de hoofdzaak in behandeling had genomen. Volgens het Hof moest op de vraag of een zogenoemd "8:42-stuk" of een "8:45-stuk" op de voet van artikel 8:29 van de Awb (deels) geheim mocht worden gehouden, idealiter - steeds - door een andere (belasting)kamer worden beslist dan de (belasting)kamer die in de hoofdzaak zou beslissen.
  2. Het Hof verwierp de stelling van de gemachtigde dat een algehele openbaarmaking van draaiboek en nieuwsbrieven was vereist, omdat dit op grond van artikel 6 van het EVRM was vereist nu er bestuurlijke boeten waren opgelegd. Volgens het Hof volgde uit de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 16 februari 2000 (zaak Rowe en Davis en zaak Fitt; Fida 20001957 en Fida 20003316) dat (overheids)belangen zoals de nationale veiligheid, de bescherming van getuigen tegen de dreiging van represailles, en de geheimhouding van opsporingsmethoden, moesten worden afgewogen tegen het recht van degene tegen wie een criminal charge was ingebracht om kennis te nemen van relevant bewijsmateriaal. Het recht van de verdediging mocht niet verder worden beperkt dan strikt noodzakelijk was en de toetsing óf dwingende redenen bestonden om informatie voor de verdediging achter te houden, was aan de nationale rechter voorbehouden. Volgens het Hof was de in artikel 8:29 van de Awb voorziene procedure niet in strijd met de regels uit deze arresten.

Het Hof merkte aan het slot van zijn uitspraak nog "voor de goede orde" op dat tegen een tussenuitspraak als de onderhavige geen beroep in cassatie openstaat.

Hof Amsterdam 19-4-2006, nr. 04/04923 (Fida 20061215)

Ons commentaar
Hof Den Bosch (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar) besliste vorig jaar dat de stukken die de Belastingdienst geheim wilde houden, moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, die openbaar gemaakt moesten worden met name omdat hierin het beleid was geformuleerd waarop de inspecteur zijn standpunt baseerde. Toen de inspecteur bleef weigeren de geheime passages leesbaar te maken (zie FutD 2005-0989), verbond een meervoudige kamer van Hof Den Bosch daaraan later ook materiële gevolgen. Het Hof vernietigde namelijk de navorderingsaanslagen en boeten (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar). In vergelijking met deze uitspraak is de beslissing van Hof Amsterdam vaag. Inmiddels lopen ook artikel 8:29-procedures bij Hof Arnhem en Hof Den Haag (zie FutD 2006-0569), en is zelfs al bekend dat Hof Arnhem heel wat minder vaag over de openbaarmaking is. De geheimhoudingskamer van Hof Arnhem heeft in 8:29-zaken van respectievelijk Mr. M. Hendriks (Jaegers & Soons advocaten-belastingkundigen te Nijmegen), mr. J.M.H. Römkens (Römkens & Sligchers Advocaten te Maastricht), mr. S. Bharatsingh (Bharatsingh Advocaten-Belastingadviseurs te Hilversum) en drs. K. Leget (Leget & Co Belastingadviseurs te Oss) op 21 april 2006 namelijk in een "aankondiging uitspraak" laten weten dat het tot de conclusie is gekomen dat het gehele draaiboek en nieuwsbrieven als alle op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden aangemerkt en dat er geen gewichtige redenen zijn voor geheimhouding. Hof Arnhem gaat dus van alle Hoven het verst: alles moet openbaar worden gemaakt! Wij komen hier uiteraard volgende week op terug als de definitieve uitspraak van Hof Arnhem is verschenen. Mogelijk kunnen wij dan ook berichten over de door de Belastingdienst in de zaak van Hof Amsterdam openbaar gemaakte stukken. Wij betwijfelen echter ten zeerste of de Belastingdienst na jaren van geheimzinnig doen, nu wel in zijn kaarten zal laten kijken.

Na het verschijnen van deze rechterlijke uitspraken waarbij staatssecretaris Wijn aardig het deksel op de neus krijgt, kan het haast geen toeval zijn dat hij op vrijdag 21 april jl. middels een persbericht liet weten dat hij bij de Luxemburgse autoriteiten wil gaan aandringen op het verstrekken van informatie over zogenoemde coderekeningen (zie FutD 2006-0759). De reden van dit inhoudelijk nonsensikale bericht kan geen andere zijn dan dat de staatssecretaris zijn tanden moet en wil laten zien om de aandacht van het publiek en de politiek af te leiden van alle negatieve berichten in de media over de problemen binnen de Belastingdienst. Daarnaast zal het ook als een nieuwe poging bedoeld zijn om belastingplichtigen te bewegen tot inkeer. Uit een onderzoek van de FIOD-ECD uit 2003 was immers al gebleken dat inkeerders hun gedrag mede laten afhangen van de berichten in de media (zie FutD 2003-1671). Dat verklaart dan in elk geval ook dat het persbericht van 21 april 2006 een subtiele link naar de formulieren voor inkeer bevatte. De dreiging die van het persbericht moet uitgaan, is inhoudelijk gezien echter geenszins reëel, gezien de afspraken en uitgangspunten die zijn opgenomen in spaartegoedenrichtlijn en de regels die gelden voor wederzijdse bijstand bij invordering.

Tot slot merken wij op dat de opmerking die het Hof "voor de goede orde" maakte over de onmogelijkheid van het instellen van cassatie tegen de tussenuitspraak, naar onze mening - ook - een loze opmerking is. De tussenuitspraak heeft ons inziens geen ander karakter dan een eindbeslissing waarmee de meervoudige kamer, die over de hoofdzaak moet beslissen, het moet doen. Tegen deze tussenuitspraak is ons inziens dan ook wel cassatie mogelijk.