KB Lux-dossier

Kamervragen over achterhouden bewijs in KB Lux-zaak

De belastingkamer van Hof Den Bosch vernietigde op 22 september 2005 een aan een ontkennende KB Lux'er opgelegde navorderingsaanslag plus 100% boete omdat de inspecteur in de fiscale procedure had geweigerd om de tot het dossier behorende relevante stukken te overleggen (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar). De Tweede-Kamerleden de heer Crone (PvdA) en mevrouw Dezentjé Hamming (VVD) hebben naar aanleiding van deze door Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda gewonnen procedure kamervragen gesteld over het gebrek aan openheid van de Belastingdienst in fiscale procedures. Hierover stelde mevrouw Dezentjé Hamming reeds eerder vragen (zie FutD 2005-0446), waarop de staatssecretaris had geantwoord (zie FutD 2005-0823) dat het beleid van de Belastingdienst er op gericht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Dit terwijl, zoals wij reeds vermeldden in ons commentaar bij de uitspraak van Hof Den Bosch van 22 september 2005 de staatssecretaris via de directeur-generaal mevrouw Thunissen aan advocatenkantoor Hertoghs had geschreven dat hij achter het standpunt van de procederende inspecteur staat om de gevraagde stukken niét te overleggen.

De heer Crone en mevrouw Dezentjé Hamming willen van de staatssecretaris weten of hij het met Hof Den Bosch eens is dat de belastinginspecteur een fundamenteel beginsel van het bestuursrecht heeft geschonden en waarom de inspecteur gegevens heeft achtergehouden, terwijl ditzelfde Hof op 13 mei 2005 in een tussenuitspraak (zie FutD 2005-0989) de inbreng van de ontbrekende gegevens had gelast. Verder vroegen de Kamerleden de staatssecretaris waarom hij de beleidslijn van de weigerachtige belastinginspecteur heeft gesteund, en hoe hij deze handelwijze verklaart ten opzichte van het door hem uitgedragen beleid om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Voorts vroegen de kamerleden nog of er in dit geval procestechnische of proceseconomische redenen zijn om stukken niet in te brengen. Tot slot stelden zij aan de orde dat het mogelijk is dat door het achterhouden van bewijs een situatie is ontstaan dat zwartspaarders die in het verleden tot inkeer zijn gekomen zwaarder worden gestraft dan degenen die niet tot inkeer zijn gekomen.

Tweede Kamer vragen 30-9-2005, nr. 2050600630 (Fida 20053471)