KB Lux-dossier

OvJ niet-ontvankelijk in vervolging KB Lux-rekeninghouder

De strafzaken van degenen die door het Openbaar Ministerie worden vervolgd in de zogenoemde KB Lux-affaire lopen de laatste tijd steeds vaker in het voordeel van de vermeende rekeninghouders af. De strafkamers van Rechtbank Den Haag en van Rechtbank Roermond (zie FutD 2005-0659 en FutD 2005-1094 in deze aflevering) spraken KB Lux-verdachten vrij omdat het microfiche van de KB Lux niet voldeed aan de bewijsminimumregel van artikel 344, lid 1, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering. Thans beschikken wij over een strafvonnis van wederom Rechtbank Den Haag waarin de Rechtbank de Officier van Justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

In deze zaak stelde Rechtbank Den Haag voorop dat een zaak in eerste aanleg binnen twee jaar moest zijn berecht. Vervolgens overwoog de Rechtbank dat er in de onderhavige KB Lux-zaak drie momenten konden gelden als mogelijk startpunt voor de redelijke termijn:

  1. Het (eerste en enige) verhoor van X door de FIOD-ECD op 5 november 2001.
  2. De brief van het Openbaar Ministerie aan X van 27 september 2002 waarin stond dat de Officier van Justitie voornemens was X te vervolgen en dat begin 2003 een beslissing omtrent de strafvervolging zou worden genomen.
  3. De datum van betekening van de inleidende dagvaarding op 21 februari 2005.

Vervolgens besliste de Rechtbank dat uit de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad volgde dat het moment van verhoor niet in alle gevallen als startpunt voor de redelijke termijn kon worden genomen, maar dat de verdachte er in dit geval - "gelet op de inhoud van het verhoor" - wél al bij het (eerste en enige) verhoor van uit had kunnen gaan dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Gerekend vanaf dat moment waren er drie jaar en vier maanden verlopen tot de zaak bij de Rechtbank werd behandeld. De redenen van de overschrijding van de redelijke termijn waren het nader onderzoek dat zou worden verricht naar de wijze waarop de Belgische justitie de rekeninggegevens had verkregen en dat heel lang had geduurd, zonder dat de verdachte op de hoogte was gehouden over de voortgang. Verder had het Openbaar Ministerie verzuimd om bepaalde stukken in het dossier van de onderhavige zaak te voegen, en was het dossier vlak voor de zitting nog niet compleet. Tot slot had de verdachte door de grote vertraging inmiddels de 70-jarige leeftijd bereikt en had hij aldus de vervolgingsgrens van de toepasselijke ATV-richtlijnen bereikt. Het "volstrekt stilzitten van het Openbaar Ministerie en het niet verstrekken van voornoemde stukken waarop nu juist werd gewacht alsmede de leeftijd van verdachte" moesten volgens de Rechtbank worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden naast de ruime overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank achtte daarom slechts de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie passend en geboden. (Het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de Rechtbank. Deze uitspraak ontvingen wij van Jaspers Quist Remmerswaal notarissen en advocaten te Naaldwijk, -red.)
Rechtbank Den Haag 25-3-2005, nr. 09/017035-01 (Fida 20051914)

Ons commentaar
Op grond van artikel 6 van het EVRM heeft iemand die strafrechtelijk wordt vervolgd, recht op berechting van zijn zaak binnen een "redelijke termijn". Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als een strafzaak binnen twee jaar in eerste aanleg is afgerond. Voor het antwoord op de vraag wanneer die redelijke termijn nu eigenlijk aanvangt, nam Rechtbank Den Haag het strafarrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000 (zie Fida 200023134) als uitgangspunt. In dit arrest, en in het op 22 april 2005 (zie FutD 2005-0794 met ons uitgebreide commentaar) verschenen arrest van de belastingkamer, gaf de Hoge Raad vuistregels met betrekking tot de redelijke termijn. In deze arresten overwoog de Hoge Raad dat een eerste verhoor in zijn algemeenheid niet als de aanvang van de redelijke termijn kon worden aangemerkt. Rechtbank Den Haag merkte het eerste verhoor echter, gezien de inhoud van het verhoor, toch aan als startpunt van de redelijke termijn. Gerekend vanaf dat moment waren er drie jaar en vier maanden verstreken, en was sprake van "undue delay", die mede gelet op de overige uitzonderlijke omstandigheden, leidde tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Het komt niet vaak voor dat de strafkamer de sanctie van niet-ontvankelijkheid toepast. De reden hiervan ligt waarschijnlijk in de bijkomende omstandigheden, zoals het incomplete dossier en de inmiddels 70-jarige leeftijd van de verdachte. Dit laatste kan ook de reden zijn geweest dat het Openbaar Ministerie niet in hoger beroep is gegaan, ofschoon wij daarover onze twijfels hebben. Het is namelijk opvallend hoe vaak het Openbaar Ministerie c.q. Officier van Justitie Dijkstra om welke reden dan ook nalaat hoger beroep in te stellen in belangrijke niet-casuïstische KB Lux-strafzaken die door verdachten werden gewonnen (zie FutD 2005-0735 en FutD 2004-0060). Door deze handelwijze wordt de samenleving een oordeel van een hogere rechter onthouden over zaken met een grote uitstraling en precedentwerking, terwijl daar uit het oogpunt van de rechtseenheid behoefte aan is.

De reikwijdte van deze zaak is groot. De beslissing werkt niet alleen door naar alle lopende strafzaken, maar ook naar de boeten in alle lopende belastingzaken. Door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt een fiscale boete aangemerkt als "straf", zodat ook de beboete belastingplichtigen recht hebben op een berechting binnen redelijke termijn. Gezien het feit dat de meeste eerste verhoren eind 2001, begin 2002 hebben plaatsgehad en de Belastingdienst daarna bezwaarschriften tegen aanslagen met boeten tegen de wens van de belastingplichtigen heeft aangehouden (zie ook ons uitgebreide commentaar in FutD 2003-0315), kan worden gesteld dat ook in de belastingzaken de redelijke termijn door toedoen van de Belastingdienst al lang is overschreden, zodat de boeten in die zaken moeten vervallen, of althans zeker behoorlijk moeten worden gematigd. De rekening van het lang stilzitten door de overheid, mag niet aan de burger worden gepresenteerd.