Fiscus mag KB Lux-informatie niet via verhoor afdwingen
In onze vorige aflevering (zie FutD 2004-1672) maakten wij melding van het kort geding dat advocaat mr. Sam Bharatsingh uit Hilversum namens een cliënt tegen de Staat had aangespannen en waarin een verbod werd gevorderd tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek en derhalve een verbod de betreffende belastingplichtigen als verdachten te horen wegens het niet-verstrekken van opgevraagde informatie over buitenlandse tegoeden (zie ook FutD 2004-1622). De landsadvocaat stelde dat de Staat hiertoe wél gerechtigd was omdat de KB Lux-weigeraars thans voor een ander feit werden vervolgd dan waarvoor hen een vergrijpboete was opgelegd en er dus geen sprake was van schending van het ne-bis-in-idem-beginsel.
De President van de Haagse Rechtbank overwoog echter dat de Belastingdienst om informatie over Luxemburgse bankrekeningen vroeg waarvan de Belastingdienst van mening is dat deze ten onrechte niet in de aangifte is vermeld, en waarvoor inmiddels een aanslag met vergrijpboete is opgelegd. Deze vergrijpboete moet volgens de President geacht worden mede te zijn opgelegd voor het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, aangezien de onjuistheid van de aangifte volgens de President niet los kon worden gezien van de voortgezette weigering van de belastingplichtigen om de (juiste en volledige) informatie (op schrift) te verstrekken. De President wees de vordering toe. Inmiddels is de redactie van Fiscaal up to Date bekend geworden dat er thans tot nader order geen verhoren meer plaatsvinden.
Rechtbank Utrecht deed op 8 augustus 2004 zes uitspraken in strafzaken tegen personen die ervan verdacht werden een bij de KB Lux aangehouden bankrekening buiten het zicht van de Belastingdienst te hebben gehouden. In deze uitspraken kwamen de volgende aspecten aan de orde:
- Bewijs bestaande uit afschriften van microfiches niet onrechtmatig verkregen
De herkomst van de afschriften van de microfiches kon volgens de Rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de Nederlandse opsporingsdiensten het bewijsmateriaal onrechtmatig hadden verkregen, wat er ook zij van de oorspronkelijke herkomst ervan en de wijze waarop deze in handen van de Belgische autoriteiten waren gekomen. Volgens de Rechtbank was namelijk niet aannemelijk geworden dat de Nederlandse opsporingsdiensten iets te verwijten viel ter zake van de gestelde dubieuze wijze waarop de gegevens van de KB Lux waren verkregen, noch ter zake van de door de verdachten gestelde dubieuze wijze waarop deze vervolgens in handen van de Belgische autoriteiten waren gekomen. Tot slot was volgens de Rechtbank ook niet aannemelijk geworden dat de Nederlandse autoriteiten een dubieuze rol hadden gespeeld bij de overdracht van de gegevens van de Belgische aan de Nederlandse autoriteiten. - Identificatie aan de hand van microfiches betrouwbaar
De Rechtbank verwierp de stelling van een andere verdachte dat hij niet degene was die op de afdrukken van de microfiches stond. De Rechtbank overwoog dat de identificatie van de rekeninghouders had plaatsgevonden door koppeling van de afdrukken van de microfiches met de bestanden van de Belastingdienst (BVR) en van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CBR). De koppeling had drie maal de naam van de betreffende verdachte opgeleverd, zodat volgens de Rechtbank niet gezegd kon worden dat de koppeling niet had geleid tot een correcte identificatie van de verdachte. - Verklaring tijdens eerste verhoor niet uitgesloten van het bewijs
De Rechtbank verwierp tot slot de stelling van de laatste verdachte die had aangevoerd dat het verhoor van oktober 2001 moest worden uitgesloten van het bewijs omdat hij door zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal de cautie niet begrepen had en door zijn slechte gezichtsvermogen het door hem ondertekende proces-verbaal niet goed had kunnen lezen. Volgens de Rechtbank had de verdachte de cautie moeten begrijpen, aangezien de door de verdachte in oktober 2001 afgelegde verklaring consistent, coherent en specifiek was geweest. Verder was volgens de Rechtbank niet van belang dat de verdachte het proces-verbaal van verhoor niet had kunnen lezen, aangezien het aan hem was voorgelezen. - Leeftijdscriterium voor niet-strafrechtelijke vervolging niet overschreden
De Rechtbank verwierp de stelling van een volgende verdachte dat hij in strijd met de toepasselijke criteria was vervolgd omdat hij thans ouder was dan 70 jaar. Het criterium "(…) leeftijd van de rekeninghouder over het algemeen niet ouder dan 70 jaar" (zie FutD 2002-1350), betekende volgens de Rechtbank op zichzelf al dat niet was uitgesloten dat personen ouder dan 70 jaar niet met een strafrechtelijke aanpak geconfronteerd konden worden. Verder overwoog de Rechtbank dat niet in strijd met de criteria was gehandeld omdat de verdachte 68 jaar oud was toen het strafrechtelijk onderzoek tegen hem in oktober 2001 was gestart. - Procesduur van 34 maanden geen undue delay
De Rechtbank besliste tot slot dat de redelijke termijn van artikel 6, lid 1, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) niet was geschonden. In het algemeen werd volgens de Rechtbank een eindvonnis binnen 2 jaar als redelijke behandelingstermijn aangemerkt, terwijl in dit geval sinds het eerste verhoor van de verdachte op 30 oktober 2001 reeds 2 jaar en 10 maanden waren verstreken. Volgens de Rechtbank was de noodzaak tot landelijke afstemming echter een bijzondere omstandigheid die een langere behandelingsduur dan 2 jaar rechtvaardigde. Verder droegen volgens de Rechtbank ook internationale componenten en efficiency-aspecten bij aan de ingewikkeldheid van de zaak.
De Rechtbank veroordeelde de verdachten tot werkstraffen variërend van 100 tot 160 uur en geldstraffen variërend van € 3.750 tot € 65.000. (Tegen de uitspraken van Rechtbank Utrecht met de rolnummers 16/200206-02 (rechtmatigheid van het bewijs) en 16/200048-02 (juiste identificatie van de belastingplichtige) was blijkens telefonische informatie van de griffie van de Rechtbank op 24 september 2004 hoger beroep aangetekend door de verdachten, -red.)
Rechtbank Den Haag 22-9-2004, nr. KG04/1104 (Fida 20043217), Rechtbank Utrecht 8-9-2004, nr. 16/200206-02 (Fida 20043233), nr. 16/200208-02 (Fida 20043229), nr. 16/200207-02 (Fida 20043231), nr. 16/200204-02 (Fida 20043230), nr. 16/200048-02 (Fida 20043232) en nr. 16/200205-02 (Fida 20043263)