Civielrechtelijke dwangsom voor vermeende Van Lanschotter
De Belastingdienst zet zijn civiele kort-gedingsprocedures voort tegen sommige belastingplichtigen van wie wordt vermoed dat zij een rekening bij Van Lanschot Bankiers te Luxemburg hebben (aangehouden). Na de beslissing in hoger beroep van de voorzieningenrechter van Hof Amsterdam (zie FutD 2007-2332 met ons commentaar), heeft thans ook de voorzieningenrechter van Rechtbank Den Bosch beslist dat de gedagvaarde vermeende rekeninghouder informatie moet verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag (met een maximum van € 500.000) bij niet-nakoming van de informatieverplichting ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
- Civiel kort geding in afdwingen informatieverplichtingen had spoedeisend belang
De voorzieningenrechter besliste dat de Belastingdienst een spoedeisend belang had bij de vordering omdat de termijn voor het opleggen van de (navorderings)aanslagen over de kalenderjaren 1996, 2003 en 2005 aan het eind van 2008 dreigde te verjaren, zodat het essentieel was dat de Belastingdienst zo spoedig mogelijk kon beschikken over de opgevraagde gegevens. De rechter verwierp de stelling van X dat hem uitstel was verleend in het kader van de beconregeling, omdat X hiertoe geen bewijzen had overgelegd. Daarnaast vond de voorzieningenrechter van belang dat de bewaartermijn voor de buitenlandse instellingen voor een deel van de opgevraagde gegevens binnenkort zou verstrijken. Als die termijn verstreken zou zijn voordat de betrokken bescheiden door X waren opgevraagd, zou X volgens de voorzieningenrechter niet meer aan dat deel van zijn verplichtingen jegens de Belastingdienst voldoen. De voorzieningenrechter ging er vanuit dat er ernstig rekening mee gehouden moest worden dat de vermoedens van de Belastingdienst juist waren dat X een of meer rekeningen bij de Van Lanschotbank in Luxemburg had aangehouden. Dat betekende dat de Belastingdienst niet alleen terecht aanspraak maakte op het verschaffen van de gevraagde gegevens, maar bij die verschaffing ook groot belang had. - Aan civiele rechter kwam rechtsmacht toe
Vervolgens verwierp de voorzieningenrechter de stelling van X dat de vordering van de Belastingdienst moest worden afgewezen omdat de verplichtingen ex artikel 47 van de AWR niet via het civiele recht konden worden afgedwongen. Volgens de voorzieningenrechter was hierbij niet van belang of door het afdwingen van verplichtingen via een civielrechtelijke dwangsom de balans werd verstoord tussen de rechten en plichten van de belastingplichtige enerzijds en die van de inspecteur anderzijds, maar was van belang dat de Belastingdienst door gebruikmaking van de publiekrechtelijke (en strafrechtelijke) regeling geen vergelijkbaar resultaat kon bereiken als door gebruikmaking van de civielrechtelijke weg. Het kunnen opleggen van een ambtshalve aanslag met omkering van de bewijslast was volgens de rechter onvoldoende om tegemoet te komen aan het risico van een calculerende belastingplichtige, die het resultaat van de schatting en de daarop gebaseerde aanslag kon afwachten en, afhankelijk van de hoogte van die aanslag, ervoor kon kiezen te volharden bij een weigering gegevens te verschaffen. - Civielrechtelijke weg na ambtshalve aanslagen met boeten geen willekeur
De Rechtbank verwierp de stelling van X dat sprake was van willekeur omdat de Belastingdienst ineens had gekozen de civielrechtelijke weg te volgen terwijl de Belastingdienst voor de jaren 1995, 1996 en 2002 al (navorderings-)aanslagen naar geschatte bedragen had opgelegd met 100% boete en dus had gekozen voor de publiekrechtelijke weg. Dit verweer ging volgens de rechter niet op omdat X niet had gesteld dat hij, doordat de Belastingdienst voor de publiekrechtelijke weg had gekozen, het gerechtvaardigd vertrouwen had opgevat dat niet meer langs de civielrechtelijke weg zou worden opgetreden, laat staan dat hij door dat opgewekte vertrouwen bepaalde dingen had gedaan of nagelaten waardoor hij thans in een nadeliger positie was komen te verkeren.
De voorzieningenrechter wees de vordering van de Belastingdienst toe en besliste dat X binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis moest verklaren of hij na 31 december 1995 een buitenlandse bankrekening had aangehouden, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 500.000. (Dit vonnis ontvingen wij van drs K. Leget van Leget & Co te Oss die als adviseur in deze zaak optrad. Mr. J.P.G.M. van der Graaf van Nooteboom cs te Dordrecht trad op als raadsman, -red.)
Rechtbank Den Bosch 25-11-2008, nr. 183070/KG ZA 08-719 (Fida 20084672)
Ons commentaar
Het vonnis van de voorzieningenrechter van Rechtbank Den Bosch blinkt vooral uit in het ontbreken van een deugdelijke motivering van de reden waarom hij de vordering van de Staat toewijst. De voorzieningenrechter maakt niet inzichtelijk dat hij, marginaal, heeft getoetst of X wel degene is die de rekening bij Van Lanschot heeft aangehouden en ook niet waarom hij bij een marginale toetsing van de stellingen van de inspecteur tot de conclusie is gekomen dat enigszins aannemelijk is dat X, en zo ja tot ongeveer welk bedrag, geld buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden. Verder gaat de voorzieningenrechter al te gemakkelijk voorbij aan de stelling van X dat geen sprake is van spoedeisendheid, omdat de Belastingdienst nog voldoende tijd had voor het opleggen van de (navorderings)aanslagen in verband met het aan hem op grond van de beconregeling verleende uitstel. Deze stelling wordt zonder enige motivering van tafel geveegd. Wonderlijk is tot slot de overweging van de voorzieningenrechter ten aanzien van de stelling van X dat de mogelijkheid bestaat dat de Belastingdienst de op basis van artikel 47 van de AWR verkregen informatie ook in de beroepsprocedures zou gebruiken. De voorzieningenrechter wees dat af omdat die stelling uitging van de aanname dat de reële kans bestaat dat de Belastingdienst dat inderdaad zou gaan doen, "hetgeen de voorzieningenrechter niet aannemelijk acht omdat zulks een procespartij als de Belastingdienst niet past." Waarmee de voorzieningenrechter in elk geval wel aantoont dat hij weinig ervaring heeft met het optreden van de Belastingdienst in buitenlandse-rekeningenprojecten.