Fiscus houdt lippen stijf op elkaar in van Lanschot-affaire
Op 23 april 2007 honoreerde het ministerie van Financiën gedeeltelijk het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van het draaiboek met betrekking tot het nieuwe in 2007 gestarte onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen, waarvan werd vermoed dat het ging om door (ex-)werknemer(s) van Van Lanschot Bankiers te Luxemburg gestolen informatie (zie FutD 2007-0500 en FutD 2007-0824 met ons commentaar). De Belastingdienst zette ditzelfde draaiboek vervolgens ook in een zogenoemde PDF-file op haar website. Ofschoon het geen verrassing was dat het project betrekking heeft op de Van Lanschot Bank in Luxemburg, werd dit vermoeden recentelijk door een onderzoek van de Volkskrant bevestigd (zie FutD 2007-0953 met ons commentaar). In het openbaar gemaakte en gede-anonimiseerde draaiboek werd echter het land van waaruit de informatie afkomstig zou zijn, niet onthuld. In het draaiboek staat "Door de bevoegde autoriteiten van X zijn in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van Richtlijn 77/799/EEG aan de FIOD-ECD Internationaal gegevens verstrekt inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de Bank Van Lanschot Bankiers te Luxemburg (hierna: Van Lanschot)".
De anonimisering van het land, was de reden dat wij de staatssecretaris in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzochten de brief/brieven en bijbehorende documenten ter beschikking te stellen die betrekking hebben op deze gegevensuitwisseling. Helaas volgt ook de nieuwe staatssecretaris De Jager geen glasnost-beleid. Het verzoek werd afgewezen, omdat gegevens van individuele belastingplichtigen onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallen, omdat sprake is van geheimhoudingsplicht op grond van de richtlijn wederzijdse bijstand, zodat toetsing aan de WOB niet aan de orde is en ook bij toetsing aan de WOB het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van Nederland bij goede betrekkingen met de buitenlandse verstrekkende autoriteiten. Tot slot weegt volgens de staatssecretaris het belang van openbaarmaking niet op tegen de persoonlijke levenssfeer van individuele belastingplichtigen.
Ministerie van Financiën 12-6-2007, nr. DGB2007-02899 (Fida 20071933)
Ons commentaar
De wijze waarop de Hof Den Bosch een versie van het draaiboek BZN op internet plaatste, waarbij zonder al te veel inspanningen ook de weggelakte passages leesbaar werden, en waarmee alle geheimen van het draaiboek project BZN leken te zijn onthuld, was niet zo maar "een beetje dom", maar onthulde ook nog eens datgene wat angstvallig geheim werd gehouden. Toch was er nog een stukje tekst dat "onzichtbaar" bleef en dat was de naam van het land dat de brief aan Nederland heeft gegeven. Op het door Fiscaal up to Date aan de staatssecretaris gerichte verzoek om openbaarmaking van deze brief, heeft de staatssecretaris zich echter met bijna alle bestaande WOB-afwijzingsgronden tegen de openbaarmaking verzet.
Door deze brief niet te overleggen is het niet controleerbaar óf de informatie inderdaad wel door daartoe bevoegde autoriteiten en in het kader van Richtlijn 77/799/EEG aan de Nederlandse autoriteiten zijn verstrekt, wanneer deze informatie is verstrekt en of deze wel zo spontaan is versterkt als gepretendeerd wordt. Uit alle rechterlijke uitspraken die inmiddels in de KB Lux-affaire zijn gewezen over de openbaarmaking van het draaiboek en de nieuwsbrieven en andere "op de zaak betrekking hebbende stukken", blijkt dat de rechters vrijwel unaniem tot de conclusie zijn gekomen dat de genoemde stukken openbaar gemaakt moeten worden. Op grond hiervan getuigt het in elk geval van onbehoorlijk bestuur om thans in een nagenoeg zelfde affaire waarin nagenoeg dezelfde problematiek speelt als in de KB Lux-affaire waarin de fiscus de zaken veelal heeft verloren wegens de stelselmatige geheimhoudingsdrift, te persisteren in geheimhouding.
Destijds weigerde de staatssecretaris ook ons verzoek om openbaarmaking van de brief van 27 oktober 2000 van de Eerste Attaché van Financiën, P. Sere, aan het Nederlandse ministerie van Financiën over de vermeende KB Lux-rekeninghouders (zie FutD 2002-2087), maar het ministerie van Financiën deed dit later uit eigen beweging wel toen zij een informatieset naar de gemachtigden van KB Lux-gedupeerden stuurde (zie FutD 2004-0178 met ons commentaar). Uit een van de bijlagen van de informatieset blijkt echter dat de heer Van Baarle (FIOD Haarlem) op 9 oktober 2002 aan de heer Sere heeft gevraagd of de brief van 27 oktober 2000 openbaar gemaakt mocht worden om tegenover advocaten, adviseurs en KB Lux-rekeninghouders te bewijzen dat de microfiches betrekking hebben op de KB Lux en om te bewijzen dat de informatie spontaan, krachtens geldende regelgeving, door de Belgische autoriteiten is verstrekt. De heer Sere antwoordde op 20 februari 2003 dat openbaarmaking van zijn brief van 27 oktober 2000 mogelijk was. Deze zelfde werkwijze zou ook in de Van Lanschot-zaak gevolgd kunnen worden. Of zouden wij niet mogen zien dat het in beide zaken om dezelfde brief gaat, en het hele Van Lanschot-project is gebaseerd op bluf en angst inboezemen om zo veel mogelijk belastingplichtigen tot inkeer te laten komen?
Of het dicht willen houden van de deksel van de beerput in de Van Lanschot-affaire nu is ingegeven door koudwatervrees of leugenachtigheid, het mag niet zo zijn dat de brief van de autoriteiten van Land X pas over zeer lange tijd boven tafel komt als iedere belastingadviseur of advocaat daar in elke afzonderlijke procedure voor zijn cliënt een beroep op heeft gedaan. De rechtszekerheid en het (internationale) vertrouwensbeginsel zijn er mee gediend dat de (Nederlandse) rechter in de nog komende procedures niet aan de rechtmatigheid van de verkrijging van via het internationaal rechtshulpverkeer verkregen gegevens hoeft te twijfelen, omdat hij geen enkele aanwijzing heeft dat verdragsnormen zijn geschonden waardoor de burger is geschaad in een belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen. De rechter heeft er zonder de brief alle reden toe om aan te nemen dat de informatie niet afkomstig is van de bevoegde autoriteiten van land X (dat niet Luxemburg is, maar België), omdat het gaat om informatie van een in Luxemburg gevestigde bank met een bankgeheim en omdat Van Lanschot tot twee maal toe aangifte heeft gedaan van afpersing, zodat het aannemelijk is dat de in het kader hiervan ter beschikking gekomen informatie waarschijnlijk op andere wijze in handen is gekomen van de Belastingdienst.
De weigering om de brief openbaar te maken geeft aan dat er niet alleen alle reden is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de internationale gegevensuitwisseling, maar ook dat het niet openbaarmaken moet worden aangemerkt als onbehoorlijk bestuur. Wij melden mogelijk ten overvloede dat wij tegen de afwijzing van ons verzoek om openbaarmaking in bezwaar zijn gegaan.