Dagbladen

Achtergronden bij artikelen in de dagbladen

DatumDagbladArtikel
2007 
10-12-2007TelegraafSmokkelkosten toch aftrekbaar
08-12-2007TelegraafBlunder fiscus levert 3,4 mln. op; Foutje bedankt
17-11-2007TelegraafLagere boetes zwartspaarders
19-10-2007TelegraafSexbazen moeten fiscus bijbetalen
09-09-2007TelegraafContante giften aan moskee niet aftrekbaar
06-09-2007TelegraafAutotherapie aftrekbaar
03-08-2007VolkskrantPeepshow geen kunst, maar seks
02-08-2007ANPAdvies: peepshow geen culturele prestatie
02-08-2007TelegraafPeepshows weer volledig belast
02-08-2007TelegraafAdvocaat trekt 41 auto's af van belasting
01-08-2007TelegraafRechter: Huis minder waard door studenten
16-07-2007TelegraafProfiteren van blunder fiscus voorbij
05-07-2007TelegraafToch fiscaal voordeel bewoners Vinkenslag
08-06-2007TelegraafZieke mag joint coffeeshop niet meer aftrekken
02-05-2007TelegraafAanslag BV mag toch op papier
01-05-2007Telegraaf"Zwartspaarders" klagen Van Lanschot-bank aan"
24-04-2007TelegraafHilversum gevoelloos bij straffen 82-jarige
14-04-2007TelegraafOnmin met fiscus kost altijd geld
05-04-2007TelegraafBoete fiscus bij beursgang NH
27-03-2007TelegraafDrugssmokkel is aftrekbaar
04-03-2007TelegraafActie tegen WOZ-taxatie loont
27-02-2007Telegraaf-wwwAppartementen niet langer BTW-lokker
24-02-2007Telegraaf-wwwInternist probeert kosten verkrachting fiscaal op te voeren
23-02-2007TelegraafWOZ-smoesje loont
15-02-2007TelegraafVrij van belasting door fout
13-02-2007TelegraafPeepshow is kunstvorm
07-02-2007Telegraaf-wwwEmissiekosten aandelen aftrekbaar
02-01-2007Telegraaf-wwwAdvocaatkosten aftrekbaar bij arbeidsconflict
2006 
11-12-2006TelegraafKosten elektrische garagedeur aftrekbaar
07-12-2006TelegraafFiscus legt naheffing op flirtles
28-10-2006TelegraafBoete voor zwartspaarders vervalt
24-06-2006VolkskrantDrank na vangst van zwaartspaarders
19-01-2006VolkskrantToch boete over zwart geld
2005 
11-11-2005VolkskrantSpaarder in Luxemburg gaat vrijuit
24-09-2005TelegraafFiscus gaf zwartspaarder geen eerlijk proces
31-05-2005Telegraaf"Stilzittende" justitie stoot neus weer in KB Lux-zaak
03-04-2005TelegraafVerbod op politieverhoor zwartspaarders KB Lux
11-02-2005MetroBezwaar tegen de WOZ-waarde kan zin hebben
10-01-2005VolkskrantZalmsnip onverwacht nog maand van kracht
2004 
24-08-2004VolkskrantTweeduizend zwartspaarders zijn onvindbaar
05-05-2004TelegraafComputerfout bij fiscus kost miljoenen
09-04-2004TelegraafRechters zijn laksheid van gemeenten beu
28-01-2004VolkskrantUWV mist mogelijk miljoenen
07-11-2003TelegraafLoonbelasting goede doelen
2003 
05-11-2003VolkskrantBelastingontduikers in de tegenaanval
29-10-2003VolkskrantZwartspaarder in 1995 al bij fiscus bekend
11-10-2003TelegraafMkb loopt vele miljoenen mis bij uitvoer goederen
15-08-2003TelegraafZonder bonnetjes langs de douane
26-06-2003TelegraafRuzie rond belastingheffing voor paleizen
23-03-2003TelegraafStreep door deals bij huizentaxaties
15-03-2003TelegraafSucces zwartspaarders in gevecht met fiscus
2002 
28-12-2002TelegraafNota zwartwerker fiscaal aftrekbaar
20-06-2002De StandaardNederlandse twijfels bij bewijzen KB Lux;
zie ook onder Specials
06-08-2002De StandaardKB Lux-vonnis krijgt aandacht in Nederland;
10.200 Nederlanders hadden er een rekening
;
zie ook onder Specials
20-06-2002TelegraafTe laat is te laat, zegt Hoge Raad over parkeertijd
21-02-2002TelegraafHof steunt rijke Nederbelg
2001 
06-11-2001TelegraafFiscus jaagt op geld over de grens
24-10-2001TelegraafTe hoge aanslag in tal van gemeenten
25-07-2001TelegraafAfrondingsfoutje, bedankt!
27-06-2001TelegraafMeevaller voor woningbezitters en ondernemers (OZB-blunder in 32 gemeenten)
19-06-2001TelegraafVerkeerde afronding kost gemeente OZB-inkomsten
01-06-2001TelegraafVerdwijnen beroepskosten aanvechtbaar
18-04-2001TelegraafBoom en halfpipe verlagen WOZ-waarde
12-01-2001TelegraafBelasting moet piramidespelers deel teruggeven
2000 
13-09-2000TelegraafZiekenfonds niet altijd verplicht
06-06-2000TelegraafWijziging gedoogbeleid recreatiebungalows waardedrukkend voor WOZ

Smokkelkosten toch aftrekbaar

Inkoopwaarde drugs aftrekbare kosten hasjtransporteur

X was bij onherroepelijke uitspraak van een Nederlandse strafrechter veroordeeld wegens het medeplegen van (poging tot) opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1, A, Opiumwet, het als oprichter of bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie en het opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst geschrift. Hij was tevens veroordeeld tot terugbetaling van een ten onrechte genoten wederrechtelijk voordeel van f 2,6 mln, waarbij Rechtbank Leeuwarden was uitgegaan van (voordeel uit) transport van verdovende middelen en niet van handel daarin. In het belastbare inkomen van X nam de inspecteur f 6,9 mln als "totale veronderstelde netto opbrengst" van hasjtransporten in aanmerking. Voor de berekening daarvan was hij uitgegaan van 7.000 kg à f 3.750 aan "opbrengst gelukte transporten", verminderd met "kosten schepen gelukte transporten", "verloren gegane hasj mislukte transporten" en "kosten schepen mislukte transporten". Hof Arnhem besliste dat de inspecteur het bij twee gelukte hasjtransporten mogelijk gerealiseerde voordeel niet in redelijkheid had bepaald, omdat hij was uitgegaan van een te hoge marge per kg. Het Hof verminderde het door de inspecteur berekende voordeel met f 4 mln. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat de kosten niet aftrekbaar waren omdat sprake was van een misdrijf waarvoor X onherroepelijk door een Nederlandse rechter was veroordeeld, zodat het Hof artikel 8a,1, c, Wet IB 1964 of artikel 36, 1, m, Wet IB 1964 ten onrechte buiten toepassing had gelaten. De Hoge Raad besliste echter dat het Hof de kosten niet buiten aanmerking had kunnen laten, omdat X - anders dan waarvan de inspecteur was uitgegaan - niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak was veroordeeld wegens handel in verdovende middelen, maar wegens transport daarvan naar Nederland. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond.

Bron:
Fida 20074231 - Hoge Raad 7 december 2007 43036


Blunder fiscus levert 3,4 mln. op; Foutje bedankt

Geen versoepeling van eisen van nieuwe feit bij navordering

X diende op 10 maart 2002 zijn aangifte IB 2001 in door middel van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette. Daarbij maakte hij abusievelijk een fout. De opgave van de aftrekbare hypotheekrente, die € 3.419 had moeten zijn, vermeldde € 3.419.635. De Belastingdienst nam de inhoud van de diskette geautomatiseerd over. Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag op waarbij hij de fout ongedaan maakte. Hof Den Bosch besliste dat de inspecteur niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte. Door het bewust toepassen van een werkwijze om grote aantallen aangiften geautomatiseerd te regelen, en een geval als het onderhavige niet voor handmatige beoordeling te selecteren, had de inspecteur volgens het Hof een fout begaan die hij niet door middel van een navorderingsaanslag mocht herstellen. Tegen deze uitspraak werd door geen der partijen beroep in cassatie ingesteld, maar AG Niessen verzocht de Hoge Raad cassatie in het belang der wet in te stellen om de invulling van de voorwaarden waaronder navordering kan plaatsvinden, en dus de tot op heden gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot het nieuw feit en ambtelijk verzuim, aan te passen. De Hoge Raad heeft het verzoek van de heer Niessen afgewezen. Onder verwijzing naar eerdere wetsvoorstellen over de verruiming van de mogelijkheden van navordering die door de Tweede Kamer waren afgewezen, besliste de Hoge Raad dat het niet op zijn weg ligt om zijn uitleg van artikel 16 AWR te herzien in verband met de (veranderde) werkwijze van de Belastingdienst, en te beslissen of de grenzen van de navorderingsmogelijkheden van de fiscus opnieuw moeten worden afgebakend. Die beslissing is volgens de Hoge Raad, mede gelet op het rechtspolitieke karakter daarvan, aan de wetgever, na een (openbaar) debat over de daaraan verbonden aspecten.

Bron:
Fida 20074237 - Hoge Raad 7 december 2007 44096


Lagere boetes zwartspaarders

Termijn undue delay startte bij eerste vragenbrief fiscus

De Belastingdienst kreeg begin 2003 een anonieme tip over X. Eind 2003 ontving de Belastingdienst een klikbrief van een familielid van X die vertelde dat X over een aanzienlijk banktegoed bij een bank in Duitsland beschikte. Naar aanleiding hiervan stuurde de Belastingdienst op 24 november 2003 een standaardvragenbrief uit het rekeningenproject naar X. Daarbij werden tevens vergrijpboeten aangekondigd. De dochter van X nam telefonisch contact op met de inspecteur en gaf aan dat zij zich niet kon voorstellen dat haar vader over vermogen in het buitenland beschikte. De inspecteur vatte dit op als een ontkenning. Op 14 mei 2004 overlegde X drie spaarbankboekjes van de rekeningen die hij aanhield bij een Duitse bank. Op 24 februari 2004 verzond de FIOD/ECD een verzoek tot wederzijdse bijstand naar het Duitse Ministerie van Financiën, waarop de Belastingdienst op 23 juni 2004 overzichten ontving met de saldi en rente op drie bankrekeningen die X had aangehouden bij de Duitse bank. Er volgden navorderingsaanslagen IB 1993-2003 met boeten van 50% en navorderingsaanslagen VB 1994-2000 met eveneens boeten van 50%. X ging in beroep en stelde dat de informatie die de inspecteur op basis van de brief van 24 november 2003 had verkregen als onrechtmatig moest worden beschouwd. Verder stelde hij dat de boete moest vervallen in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Rechtbank Arnhem besliste dat de inspecteur de navorderingsaanslagen had gebaseerd op informatie die hij van X zelf had gekregen. Het feit dat over een onderzoek bij X werd gesproken, maakte de later van het Duitse Ministerie van Financiën verkregen inlichtingen niet onrechtmatig. Verder besliste de Rechtbank ten aanzien van de boeten dat de eerste vragenbrief van de Belastingdienst van 24 november 2003 moest worden aangemerkt als de aanvang van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM, en dat deze termijn was overschreden omdat de Rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn uitspraak had gedaan. De Rechtbank verminderde de vastgestelde boeten met 40%.

Bron:
Fida 20073785 - Arr.rb. Arnhem 7 november 2007 AWB06/1509


Sexbazen moeten fiscus bijbetalen

Exploitatie sexinrichting bestond niet alleen uit kamerverhuur

Mevrouw X exploiteerde een sexinrichting in een flatwoning met drie kamers onder de naam Huize C. Doorgaans werkten in Huize C vier vaste dames als prostituee. Een klant rekende vooraf af met een dame, de opbrengst werd vervolgens tussen mevrouw X en de betreffende dame verdeeld. X stelde dat haar dienst zich beperkte tot de verhuur van kamers en voldeed alleen BTW over het door haar ontvangen deel van de totale opbrengst. De inspecteur legde echter een naheffingsaanslag BTW op aan X voor het deel van de opbrengst dat aan de dames toekwam. Rechtbank Arnhem en in hoger beroep Hof Arnhem waren het met de inspecteur eens. Jegens een bezoeker van Huize C werd één dienst verricht die bestond uit het gelegenheid geven tot het hebben van seks met één van de dames. Die dienst werd verricht door X en dat betekende dat zij BTW verschuldigd was over de gehele aan een bezoeker in rekening gebrachte vergoeding. Een klant kwam naar Huize C om seks te hebben met een dame en het aanwezig zijn van een kamer, schoon beddengoed en handdoeken was voor de klant geen doel op zich, maar een bijkomende dienst. Het Hof handhaafde de naheffingsaanslag.

Bron:
Fida 20073500 - Hof Arnhem 28 september 2007 06/00363


Contante giften aan moskee niet aftrekbaar

Contante giften aan moskee niet aftrekbaar

Rechtbank Haarlem besliste op 11 oktober 2006 dat contante giften die aan een moskee waren gedaan voor aftrek in aanmerking kwamen. De inspecteur had het door mevrouw X in haar aangifte IB 2003 opgevoerde bedrag van € 3.500 in verband met giften aan een moskee niet in aftrek toegestaan omdat X volgens hem als bewijs van haar giften gebruik had gemaakt van vals opgemaakte kwitanties. In hoger beroep overlegde de inspecteur een brief waarin het stichtingsbestuur van de moskee desgevraagd had verklaard dat de kwitanties van X niet in de administratie waren te traceren en dat er geen jaarverslag kon worden overgelegd, omdat er geen kasboek werd bijgehouden. Hof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Volgens het Hof had de inspecteur met de door hem overlegde stukken terecht gesteld dat de kwitanties van X niet als bewijs konden dienen voor de betalingen. Daar kwam nog bij dat X ter zitting nog verklaarde dat zij niet wist wie de penningmeester van de moskee was en ook niet wie de kwitanties van een paraaf had voorzien. Dit wekte volgens het Hof een zodanige twijfel aan de betrouwbaarheid van de kwitanties, dat die niet konden worden aangemerkt als schriftelijke bescheiden die de door X gestelde giften staafden in de zin van artikel 6.30, lid 1, Wet IB 2001. Het Hof concludeerde dat de inspecteur de geclaimde aftrek terecht had geweigerd.

Bron:
Fida 20073021 - Hof Amsterdam 1 mei 2007 06/00473


Autotherapie aftrekbaar

Opgezegde afspraak over autokostenaftrek moest worden afgebouwd

X reed op advies van zijn psychiater al bijna 25 jaar lang jaarlijks grote aantallen kilometers, omdat hij daar baat bij had. Het autorijden werkte voor hem als een therapie, omdat het hem structuur bood. In 1993 kwam X met de inspecteur overeen dat hij jaarlijks 40.000 km als buitengewone lasten kon opvoeren als leefkilometers. In januari 1999 werd die afspraak tot en met 31 december 2002 verlengd. Naar aanleiding van de aangifte IB 2003 stelde de inspecteur nader onderzoek in naar de afgetrokken leefkilometers. In eerste instantie weigerde hij de aftrek volledig, maar in de bezwaarfase bood hij vanwege de gang van zaken in het verleden bij wijze van compromis aan alsnog een nieuwe afspraak te maken, waarbij de aftrek in een paar jaar zou worden afgebouwd tot nihil. Dat zou in 2003 een aftrek van € 5.700 betekenen. X ging niet akkoord en ging in beroep. Rechtbank Arnhem besliste dat X in beginsel geen recht had op een aftrek van autokosten. De Rechtbank was het echter met X eens dat de jarenlange afspraken over de aftrek het vertrouwen hadden gewekt dat ook na 31 december 2002 autokilometers in aftrek konden worden gebracht. De afspraak eindigde weliswaar op 31 december 2002, maar na zo langdurig lopende afspraken mocht X erop vertrouwen dat de aftrekmogelijkheid niet ineens zou vervallen. Een brief van de inspecteur van 21 december 2004 dat de bestaande afspraak niet opnieuw kon worden gemaakt, moest worden aangemerkt als een rechtsgeldige opzegging van het opgewekte vertrouwen en het was ook redelijk dat die opzegging per indirect optrad. Vanaf 2005 gold derhalve weer de wettelijke regeling. Voor 2003 en 2004 had X wel recht op de aftrek op grond van het vertrouwensbeginsel en was het redelijk om aan te sluiten bij de afspraak die tot 31 december 2002 gold. X kon in 2003 € 7.624 aan autokilometers in aftrek brengen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20073007 - Arr.rb. Arnhem 17 april 2007 AWB06/5329


Peepshows weer volledig belast

Cultuurgehalte peepshows te laag voor het lage BTW-tarief?

Begin dit jaar veroorzaakte een uitspraak waarin Hof Amsterdam peepshows had aangemerkt als een onder het lage BTW-tarief vallende kunstvorm tot veel opschudding in de binnen- en buitenlandse media. De interesse van Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen ten aanzien van deze zaak was blijkbaar dermate groot dat hij zijn conclusie buiten de reguliere publicatiedata openbaar heeft laten maken. De AG concludeerde dat de dienst van het tegen betaling van een vergoeding toegang verlenen tot peepshows niet kan worden aangemerkt als "het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen", als bedoeld in post b.14, onderdeel d, van de bij de Wet OB behorende tabel I. Bij een peepshow is volgens de adviseur van de Hoge Raad het vermaak van de bezoeker het enige doel en is geen enkel cultureel aspect in de zin van post b.14-d te onderscheiden. De peepshow is, zoals de heer Van Ballegooijen het aanduidt, een product van de seksindustrie, aan welke sector de overheid geen subsidies toekent, en niet in concurrentie komt met producties die gesubsidieerd plegen te worden. Derhalve is volgens hem geen sprake van een culturele prestatie en is het niet aan de rechter om dit begrip dusdanig op te rekken dat het wel daaronder zou vallen. Een peepshow kan volgens de AG niet als een voorstelling als bedoeld in post b.14-d worden aangemerkt en valt, als het aan de AG ligt, niet onder het verlaagde BTW-tarief. De AG concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van Hof Amsterdam.

Bron:
Fida 20072614 - Conclusie AG 19 juli 2007 43908


Advocaat trekt 41 auto's af van belasting

Wagenpark van f 2 mln van advocatenpraktijk niet zakelijk

A bezat alle aandelen BV X, die een f.e. vormde met haar dochter BV Y. BV Y oefende een advocatenpraktijk uit, waarover A de directie voerde. Uit een boekenonderzoek bleek dat BV X grote aantallen dure personenauto's als bedrijfsmiddelen op haar balans had staan. In drie jaar ging het om 41 auto's. De auto's stonden uitsluitend aan A ter beschikking en niet aan het personeel van de advocatenpraktijk. De auto's werden doorgaans binnen enkele maanden weer doorverkocht of ingeruild. De inspecteur accepteerde de kosten die samenhingen met een BMW en een Bentley. De overige uitgaven voor de auto's waren volgens de inspecteur niet zakelijk en dus niet aftrekbaar van de winst. Hij legde bovendien naheffingsaanslagen dividendbelasting op aan BV X, omdat de uitgaven voor de auto's moesten worden aangemerkt als winstuitdelingen. BV X ging in beroep. Hof Amsterdam besliste dat de uitgaven voor de auto's gemengde uitgaven waren, uitgaven waarvan niet gezegd kon worden dat die geacht moesten worden uitsluitend voor zakelijke doeleinden te zijn bestemd. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat het door een middelgroot advocatenkantoor verwerven van een omvangrijk wagenpark in het hoogste segment - in drie jaar bedroeg het totaal van de uitgaven circa f 2 mln - als hoogst ongebruikelijk moest worden beschouwd. Vanaf 1997 waren weliswaar een aantal bedrijven uit de autobranche cliënt geworden, wierf BV X kapitaalkrachtige cliënten van die bedrijven en andere cliënten die in dure auto's waren geïnteresseerd, maar dat was op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat met de uitgaven voor de auto's in redelijkheid de zakelijke belangen van de onderneming van BV X konden zijn gediend. De omzet van de advocatenpraktijk die kon worden gerelateerd aan de autobedrijven was vrij gering en bedroeg in de drie jaren in totaal niet meer dan f 75.000. Er was sprake van een zodanige wanverhouding tussen de zakelijke belangen en de omvang van de uitgaven voor de auto's, dat die uitgaven in redelijkheid niet als zakelijk konden worden beschouwd. De uitgaven met betrekking tot de auto's konden niet ten laste van de winst worden gebracht. Er was sprake van winstuitdelingen aan A, waarbij zowel BV X als A zich van de onzakelijke bevoordelingen van A bewust moesten zijn geweest. Wel besliste het Hof tot slot dat de naheffingsaanslagen dividendbelasting moesten worden verminderd. De dividendbelasting was ten onrechte gebruteerd met niet-verhaalde dividendbelasting. Brutering was pas aan de orde wanneer de inhoudingsplichtige besloot om van haar verhaalsrecht af te zien en dat stond op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslagen nog niet vast.

Bron:
Fida 20072529 - Hof Amsterdam 23 mei 2007 04/04163
Fida 20072532 - Hof Amsterdam 23 mei 2007 04/04578


Rechter: Huis minder waard door studenten

Overlast studenten maakte aankoopprijs niet maatgevend voor WOZ-waarde

De gemeente verminderde de WOZ-waarde van de woning van mevrouw X per 1 januari 2003 na bezwaar van € 412.000 tot € 375.000. X ging in beroep en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de buitenproportionele overlast die zij in en om de woning ondervond van in de nabijheid wonende studenten. Op het moment van aankoop van de woning in december 2002 was daarvan geen sprake, omdat de overlast voornamelijk in de zomer voorkwam. De aankoopprijs van de woning van € 415.000 was volgens X substantieel hoger dan de waarde in het economische verkeer. Rechtbank Den Haag vond het aannemelijk dat X teveel voor de woning had betaald omdat zij bij de aankoop geen weet had van de door studenten veroorzaakte overlast in andere seizoenen dan de winter. De gemeente weersprak de overlast ook niet, maar vond die normaal in een studentenstad. De door X betaalde koopprijs was volgens de Rechtbank tot stand gekomen onder zodanige omstandigheden dat niet gezegd kon worden dat die prijs gelijk was aan de waarde in het economische verkeer van de woning. De Rechtbank stelde de waarde van de woning in goede justitie vast op € 340.000 en hield daarbij niet alleen rekening met de overlast van de studenten, maar ook met een lagere prijs per m2.

Bron:
Fida 20072411 - Arr.rb. Den Haag 29 juni 2007 AWB06/5791


Profiteren van blunder fiscus voorbij

PG vordert cassatie in belang der wet over nieuw-feit jurisprudentie

Procureur-Generaal Niessen heeft de Hoge Raad gevraagd de invulling van de voorwaarden waaronder navordering kan plaatsvinden aan te passen. De vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een uitspraak van Hof Den Bosch waarin was beslist dat een onterechte hypotheekrente-aftrek van € 3,4 mln niet navorderbaar was. Aan de 67-jarige X, die zijn aangifte IB 2001 met behulp van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette had ingediend, was een aanslag opgelegd op basis van een bedrag van € 3419635.00 aan rente en kosten van de eigen woning in plaats van € 3.419 aan rente en kosten van de eigen woning en een restantschuld van € 63.502. Dit resulteerde in een belastbaar inkomen van negatief € 3.390.453. De heer Niessen heeft in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet voorop gesteld dat de jurisprudentie met betrekking tot nieuw feit en ambtelijk verzuim moet worden bijgesteld in gevallen waarin maatschappelijk ongewenste resultaten dreigen op te treden. Volgens de heer Niessen moet artikel 16, lid 1, AWR aldus worden uitgelegd dat navordering mogelijk is wanneer de aanslag is opgelegd in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige anders dan opzettelijk een fout heeft gemaakt waardoor de aanslag zoveel voordeliger voor de belastingplichtige is dan deze bij een juiste toepassing van de wet zou zijn geweest dat geen redelijk denkend mens - mede gelet op de aard van die fout - kan menen dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld.

Bron:
Fida 20072373 - Conclusie AG 14 juni 2007 CW2510


Toch fiscaal voordeel bewoners Vinkenslag

Vinkenslagondernemers ook in 2003 nog belast naar 3%-tarief

Ondernemers van het woonwagencentrum Vinkenslag in Maastricht hadden sinds 1993 zeer voordelige afspraken over de heffing van BTW en IB op grond waarvan zij in totaal slechts 3% belasting betaalden. De Belastingdienst beëindigde de overeenkomst eind 2002 met ingang van 1 januari 2003. Na overleg werd de overeenkomst echter op grond van een beroep van de Vinkenslag-ondernemers op opgewekt vertrouwen, verlengd. Naar aanleiding van de commotie die in de media en het parlement over deze en andere zogenoemde contra legem-afspraken ontstond, legde de Belastingdienst over 2003 aanslagen IB, WAZ en Zfw-zelfstandigen op aan handelaars in (schade)auto's van de Vinkenslag. X en Y gingen in beroep. Rechtbank Breda verklaarde hun beroepen gegrond. Volgens de Rechtbank was de Vinkenslagregeling verbindend en mochten de Vinkenslagondernemers op voortzetting van die regeling in het jaar 2003 vertrouwen. Volgens de Rechtbank was de overeenkomst niet in strijd met de goede zeden of openbare orde naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, dus naar de situatie en kennis van mei 2000. De Rechtbank concludeerde dat van deze vaststellingsovereenkomst niet kon worden gezegd dat deze zozeer in strijd was met hetgeen de wet bepaalde met betrekking tot de heffing van IB, PVV, BTW en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X en Y gegrond en verminderde de aan X opgelegde aanslag IB 2003 naar een te betalen bedrag van € 454 en die van Y naar een te betalen bedrag van € 6.806. De aanslagen Zfw-zelfstandigen en WAZ-premie over 2003 werden van de beide ondernemers vernietigd.

Bron:
Fida 20072166 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2885
Fida 20072167 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2897
Fida 20072168 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2898
Fida 20072169 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2886
Fida 20072170 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2887
Fida 20072171 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2899


Zieke mag joint coffeeshop niet meer aftrekken

Uitgaven voor cannabis bij coffeeshop geen aftrekbare ziektekosten

X onderging vanaf 1990 meerdere malen chemotherapie in verband met non-Hodgkin lymfomen. In juli 2001 verklaarde een arts dat X baat had bij het gebruik van cannabis. X gebruikte geen cannabis die door apotheken werd verstrekt, omdat hij die te duur en van slechte kwaliteit vond. Hij kocht cannabis bij een tweetal coffeeshops. X beschikte over "mediwietpasjes", afgegeven door die coffeeshops, waarmee hij korting kreeg op de normale verkoopprijs. In zijn aangifte IB 2003 bracht X de uitgaven voor cannabis (circa € 4.000) in aftrek als ziektekosten. Rechtbank Haarlem was het daar mee eens. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Arnhem besliste dat er gelet op de ziektegeschiedenis van X en de medische verklaringen voldoende aanleiding was om aan te nemen dat aan X cannabis was voorgeschreven als geneesmiddel. De middelen waren echter verkregen via een zelf gekozen verkoopkanaal. Er was dan ook geen sprake van een op voorschrift van een arts verstrekt geneesmiddel. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank. De uitgaven voor de cannabis waren niet aftrekbaar.

Bron:
Fida 20071803 - Hof Amsterdam 19 maart 2007 P06/00291


Aanslag BV mag toch op papier

Geen boete voor ondernemer die toch papieren aangifte deed

X en zijn echtgenote Y exploiteerden ieder een onderneming en waren sinds 1 januari 2005 verplicht om elektronisch aangifte te doen voor de IB en de BTW. Begin 2005 verzocht X de inspecteur toch meerdere malen om papieren aangiften. Hij beschikte wel over een computer, maar niet over toegang tot internet en wilde niet alleen voor het doen van aangifte genoodzaakt worden om toegang tot het internet te regelen. De inspecteur antwoordde dat X en Y geen ontheffing voor het doen van elektronisch aangifte kregen, omdat zij over een computer beschikten. X en Y dienden uiteindelijk hun aangiften BTW op papier in met oude formulieren. De inspecteur stuurde de aangiften retour. Daarna ontvingen X en Y naheffingsaanslagen BTW met verzuimboeten voor het niet-doen van aangifte. X en Y gingen in bezwaar. De inspecteur vernietigde de naheffingsaanslagen, maar de verzuimboeten bleven in stand. X en Y gingen in beroep. Rechtbank Arnhem stelde vast dat uit artikel 20, lid 3, Uitv.reg. AWR volgde dat als criterium voor het verlenen van een ontheffing gold dat het langs elektronische weg aangifte doen onredelijk bezwarend was voor de administratieplichtige. De Rechtbank achtte zich niet gebonden aan het beleid van de Belastingdienst dat er op neerkwam dat daarvan alleen sprake was als de belastingplichtige geen computer had. Gezien de beperkte omvang van hun ondernemingen en de daaraan gekoppelde (relatief) beperkte administratieplicht, kon volgens de Rechtbank niet van X en Y worden verwacht dat zij investeerden in kennis op het gebied van computers en internet, uitsluitend om aan hun elektronische aangifteverplichting te kunnen voldoen. De Rechtbank vond het doen van elektronische aangifte voor X en Y onredelijk bezwarend en besliste dat de inspecteur ontheffing had moeten verlenen. De papieren aangiften moesten worden aangemerkt als de vereiste aangiften. De Rechtbank vernietigde de verzuimboeten wegens het niet doen van de vereiste aangiften.

Bron:
Fida 20071439 - Arr.rb. Arnhem 25 april 2007 AWB06/2085


"Zwartspaarders" klagen Van Lanschot-bank aan

Draaiboek "Bank Zonder Naam" deels openbaar gemaakt

Nadat het zogenoemde rekeningenproject in 2003 was afgerond en het project buitenlands vermogen van de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2007 werd beëindigd, bleek dat de Belastingdienst recentelijk opnieuw veel belastingplichtigen had aangeschreven van wie de Belastingdienst vermoedt dat zij in het bezit zijn van buitenlands vermogen. Uit de dagbladpers vernamen wij dat het nieuwe onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen was ingesteld, omdat gegevens van rekeninghouders van Van Lanschot Bankiers in Luxemburg in handen zijn gekomen van de Nederlandse Belastingdienst. Naar aanleiding van het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van onder meer het draaiboek, de werkinstructies en beleidsafspraken met het Openbaar Ministerie, heeft de staatssecretaris thans een deel van het draaiboek ter beschikking gesteld. Het nieuwe in 2007 gestarte project heeft de naam "Bank zonder naam" gekregen en daarvoor zijn naast een draaiboek, geen andere richtlijnen of afspraken in documenten vervat. Volgens het draaiboek en de bijbehorende brief zijn de gegevens waarover de Belastingdienst beschikt, verkregen middels internationale gegevensuitwisseling. Eén van de criteria waaraan een post moet voldoen om binnen het project "Bank Zonder Naam" voor strafrechtelijke aanpak in aanmerking te komen, is dat sprake is van een rekeningsaldo van ten minste f 1 mln.

Bron:
Fida 20071382 - Min. v. Fin. 23 april 2007 DGB2007-01554


Hilversum gevoelloos bij straffen 82-jarige

Hartklachten hoogbejaarde eega maakten parkeernaheffing ongedaan

De 82-jarige X en zijn 89-jarige vrouw parkeerden hun auto op 7 december 2005 in het centrum van Hilversum. X kocht een kaartje, maar kreeg een naheffingaanslag parkeerbelasting van € 48,60 omdat de auto om 17.03 uur nog stond geparkeerd, terwijl de eindtijd van het kaartje om 16.42 uur was verstreken. X ging in bezwaar en stelde dat sprake was geweest van overmacht. Hij was te laat bij de auto teruggekomen, omdat zijn vrouw in de winkel last kreeg van haar hart waardoor zij moest gaan zitten, ook omdat zij moeizaam liep. De gemeente wees het bezwaar af, en stelde dat X willens en wetens het risico had genomen te parkeren op een parkeerplaats waar met het inwerpen van € 1 een beperkte parkeerduur werd gekocht, terwijl hij wist dat zijn vrouw moeilijk ter been was en last had van hartkloppingen. X ging in beroep. Rechtbank Amsterdam besliste dat X buiten zijn schuld de verschuldigde parkeerbelasting niet had kunnen voldoen omdat sprake was van een overmachtsituatie. Hierbij vond de Rechtbank van belang dat het de eerste keer was dat de vrouw van X buitenshuis dergelijke klachten had gekregen. De Rechtbank vond het begrijpelijk dat de aandacht van X in de eerste plaats uitging naar zijn vrouw en dat hij er op dat moment niet aan had gedacht opnieuw geld in de parkeermeter te werpen. De Rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag.

Bron:
Fida 20071368 - Arr.rb. Amsterdam 26 maart 2007 AWB06/3618


Onmin met fiscus kost altijd geld

Ook geen integrale kostenvergoeding bij verdragschending

BV A had ten behoeve van haar DGA X een pensioenregeling getroffen. Op 31 december 1998 werd de feitelijke leiding van BV A verplaatst naar België. X woonde toen inmiddels ook in België. In 1999 werd de pensioenverplichting overgedragen aan de in België gevestigde NV B, die tot de in artikel 11b Wet LB genoemde categorieën van verzekeraars behoorde. De inspecteur merkte de overdracht aan als een fictieve afkoop als bedoeld in artikel 11c, lid 2, Wet LB. X ging in beroep. Terwijl de beroepsprocedure bij Hof Den Bosch liep, besliste de Hoge Raad in een andere zaak dat Nederland bij pensioenoverdrachten als de onderhavige geen heffingsrecht had, omdat de heffingsfictie van artikel 11c, lid 2, Wet LB in strijd was met belastingverdragen. De inspecteur concludeerde daarom ter zitting van 11 februari 2004 dat de aanslag van X moest worden verminderd. X was het daar vanzelfsprekend mee eens, en verzocht vervolgens om een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Hof Den Bosch vond dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, BPB, die rechtvaardigden dat van de forfaitaire proceskostenvergoeding werd afgeweken. Het Hof kende X een vergoeding toe van € 9.075. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd was met bepalingen van gemeenschapsrecht, meebracht dat sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, BPB. Ditzelfde gold volgens de Hoge Raad met betrekking tot een onjuist bevonden standpunt van een bestuursorgaan dat in strijd was met een bilateraal belastingverdrag, ook als dat standpunt in strijd was met de goede trouw als bedoeld in het Verdrag van Wenen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het BPB was volgens de Hoge Raad reden als het bestuursorgaan het verwijt trof dat het een beschikking of uitspraak gaf, terwijl op dat moment duidelijk was dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. In dit geval kon de inspecteur volgens de Hoge Raad geen verwijt worden gemaakt, omdat het pas door de arresten van de Hoge Raad van 23 januari 2004 een uitgemaakte zaak was dat het standpunt van de inspecteur onhoudbaar was. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verminderde de proceskostenvergoeding naar € 161.

Bron:
Fida 20071270 - Hoge Raad 13 april 2007 41235


Boete fiscus bij beursgang NH

Pro rata kostenaftrek bij op de beurs brengen van bestaande en nieuwe aandelen

De Spaanse familie A had een belang van meer dan 50% in de aan de Madrileense effectenbeurs genoteerde B SA. B SA en de familie A hadden respectievelijk 18,85 en 81,15% van de aandelen C SA. C SA hield zich wereldwijd bezig met de exploitatie van hotels en onroerend goed. In het najaar van 1997 werd besloten om de uitbreiding van hotelactiviteiten in Latijns-Amerika onder te brengen in een tussenholding in Nederland om hiermee nieuw kapitaal aan te trekken. In verband hiermee richtten B SA en C SA in 1997 NV X op. Door middel van een beursgang van NV X werden financiële middelen aangetrokken. Op 24 maart 1998 werden het maatschappelijk kapitaal van NV X verhoogd tot f 245 mln, werden tegen uitreiking van 9.980.000 nieuwe aandelen in NV X liquide middelen, vorderingen op deelnemingen en deelnemingen ingebracht en werd besloten tot het doen van een openbaar aanbod van 1.750.000 nieuwe aandelen NV X. Het openbare bod werd begeleid door een consortium van banken. In april 1998 werden in totaal 4.151.319 aandelen in NV X op de effectenbeurs van Madrid geïntroduceerd. Het ging om 1.750.000 door NV X nieuw uitgegeven aandelen in NV X en 2.401.319 ten tijde van de beursgang reeds bestaande aandelen in NV X. Terzake van de oprichting, de kapitaaluitbreiding en de beursgang waren kosten gemaakt. Het ging met name om kapitaalsbelasting, orgaankosten en deelnemingskosten. Tussen de inspecteur en NV X ontstonden diverse (materiële en formele) geschillen over de aftrek van kosten terzake van het op de beurs brengen van bestaande en nieuwe aandelen NV X. Het Hof achtte niet meer kosten aftrekbaar dan konden worden toegerekend aan de nieuwe aandelen. Het Hof verwierp verder de stelling van de inspecteur dat de bewijslast moest worden "omgekeerd", omdat de tussenholding niet aan haar informatie- en administratieverplichtingen zou hebben voldaan. Tot slot kende het Hof aan de belanghebbende het recordbedrag van EUR 105.000 als vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase toe.

Bron:
Fida 20063737 - Hof Amsterdam 25 oktober 2006 0301987


Drugssmokkel is aftrekbaar

Inkoopkosten drugs volgens AG aftrekbaar bij ontbreken veroordeling

X was strafrechtelijk veroordeeld voor het binnen Nederland brengen van verdovende middelen. Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD legde de inspecteur een ambtshalve aanslag op naar een belastbaar inkomen van ruim f 7,6 mln met een boete van 100%. X ging in beroep. Hof Arnhem besliste dat de inspecteur het voordeel niet in redelijkheid had bepaald, omdat hij was uitgegaan van een te hoge marge per kg. Het Hof verminderde het door de inspecteur berekende voordeel met f 4 mln. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat het Hof er ten onrechte van uit was gegaan dat de inkoopwaarde van drugs aftrekbaar was en het Hof daarnaast ten onrechte kosten in aftrek had gelaten. Naar aanleiding hiervan heeft AG Overgaauw een conclusie uitgebracht. De AG concludeerde dat uit de wetsgeschiedenis bleek dat de wetgever ook had beoogd de inkoopprijs van drugs van aftrek uit te sluiten. Daarbij was volgens de AG wel vereist dat die inkoopprijs samenhing met inkomsten uit een misdrijf waarvoor de belastingplichtige bij onherroepelijke uitspraak strafrechtelijk was veroordeeld. Daarvan was in dit geval geen sprake: X was niet veroordeeld voor drugshandel. Met de misdrijven waarvoor hij wel was veroordeeld, hing de inkoopprijs volgens de AG niet samen. De AG adviseerde de Hoge Raad het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.

Bron:
Fida 20070928 - Conclusie AG 28 februari 2007 43036


Appartementen niet langer BTW-lokker

Tijdelijke verhuur appartementen aan expats belast met BTW

BV X nam in 2000 een pand in gebruik dat in haar opdracht was gebouwd. Het pand bestond uit zes appartementen, die gemeubileerd en gestoffeerd werden verhuurd aan bedrijven, die ze gebruikten om er tijdelijk in Nederland verblijvende werknemers te huisvesten. In het gebouw was geen receptie of andere gemeenschappelijke ruimte aanwezig. BV X bracht de BTW die bij de bouw in rekening was gebracht in aftrek. De inspecteur accepteerde dat niet. BV X ging in beroep. Hof Den Bosch besliste dat BV X de voorbelasting op de bouw kon aftrekken. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof de accommodatieverstrekking door BV X terecht had vergeleken met een hotelbedrijf. Volgens de Hoge Raad had het EG-Hof in het Blasi-arrest beslist dat de term "sectoren met een soortgelijke functie" in artikel 13, B, letter b, punt 1, Zesde BTW-Richtlijn, waarop artikel 11, lid 1, letter b, punt 2, Wet OB was gebaseerd, ruim moest worden uitgelegd. De Hoge Raad verwierp de stelling van de staatssecretaris dat de verstrekking van accommodatie gepaard moest gaan met het verrichten van bijkomende diensten die bij een hotelbedrijf essentieel waren, zoals het schoonmaken van de kamers, het regelen van bed- en badlinnen en het bieden van een ontbijtgelegenheid. Volgens de Hoge Raad ging het er veeleer om dat het verblijfsruimten betrof die waren toegerust om daar kort in te verblijven, zonder dat de tijdelijke bewoner werd belast met de zorg voor de inventaris. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de staatssecretaris

Bron:
Fida 20070250 - Hoge Raad 26 januari 2007 41917


Internist probeert kosten verkrachting fiscaal op te voeren

Geen aftrek schadevergoeding patiënte en aan advocaat betaalde bedragen

Internist X kwam tijdens zijn beroepsuitoefening in contact met mevrouw Y. In 1990 droeg X de behandeling van Y wegens de ontstane vriendschapsband over aan een collega. Daarna besloot X om Y in zijn gezin op te nemen. Na een jaar verliet zij de woning van X, maar het contact tussen hen bleef nog wel bestaan. Daarbij kwam het tot een seksuele relatie, die tot oktober 1995 voortduurde. Y stelde later dat sprake was geweest van seksueel misbruik. Dat resulteerde in een tuchtrechtelijke procedure. Vervolgens spande Y ook een civiele procedure aan, die er toe leidde dat X een schadevergoeding moest betalen. In zijn aangifte IB 1999 bracht X de schadevergoeding van f 110.000 en de advocaatkosten van beide procedures in aftrek. De inspecteur accepteerde alleen de advocaatkosten van de tuchtrechtprocedure. Hof Leeuwarden was het daarmee eens. Indien een arts zich onrechtmatig gedroeg door een seksuele verhouding aan te gaan met een patiënt, kon bezwaarlijk worden volgehouden dat dit plaatsvond binnen de kaders van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen arts en patiënt. Slechts de advocaatkosten van de tuchtrechtprocedure waren aftrekbaar. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof zonder nadere motivering bevestigd (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20070084 - Hoge Raad 12 januari 2007 43177


Vrij van belasting door fout

Foute aftrek hypotheekrente van € 3.419.635 niet navorderbaar

De 67-jarige X diende zijn aangifte IB 2001 in door middel van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette. De aanslag werd opgelegd naar een belastbaar inkomen van negatief € 3.390.453. Toen de inspecteur er achterkwam dat er een fout was gemaakt, legde hij over 2001, 2002 en 2003 een navorderingsaanslag op. Op het beroep van X heeft Hof Den Bosch beslist dat de inspecteur niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte omdat de opgave van de aftrekbare hypotheekrente van € 3.419.635 in plaats van € 3.419 niet als een schrijf- of tikfout van de inspecteur kon worden aangemerkt, maar voortvloeide uit een door X foutief gedane opgave. Vervolgens had de inspecteur volgens het Hof bij het regelen van de aanslag een fout begaan, omdat hij wist of had kunnen weten dat X de hypotheekrente foutief had opgegeven en de inspecteur dit bij het regelen van de aangifte niet had gecorrigeerd. Het feit dat de Belastingdienst er om haar moverende redenen voor had gekozen grote aantallen aangiften geautomatiseerd te regelen, zonder een geval als dat van X voor handmatige beoordeling te selecteren, kon X volgens het Hof niet worden tegengeworpen. De gevolgen van het bewust toepassen van deze werkwijze kwamen volgens het Hof voor de rekening van de inspecteur. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag.

Bron:
Fida 20070464 - Hof Den Bosch 25 augustus 2006 04/02881


Peepshow is kunstvorm

Verlaagd BTW-tarief voor toneelvoorstellingen gold ook voor peepshows

BV X hield zich bezig met het gelegenheid geven tot het bekijken van seks(video)films in videocabines en het verlenen van toegang tot peepshows in éénpersoonscabines. BV X stelde dat op de omzet van de peepshows het lage BTW-tarief van artikel 9, lid 2, onderdeel a, Wet OB juncto post b.14, onderdeel d, van de bij de Wet OB behorende tabel I van toepassing was. Volgens BV X moesten de peepshows worden aangemerkt als shows in de zin van de in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde BTW-Richtlijn genoemde goederen en diensten. Rechtbank Haarlem besliste dat het verlaagde BTW-tarief niet van toepassing was, omdat shows niet waren overgenomen in post b.14, onderdeel d. BV X ging in hoger beroep. Hof Amsterdam besliste dat het verlenen van toegang tot peepshows naar zijn aard het verlenen van toegang tot een toneelvoorstelling vormde. Daaraan deed volgens het Hof het (erotische) karakter van de voorstelling niet af. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20070404 - Hof Amsterdam 22 januari 2007 06/00175


Emissiekosten aandelen aftrekbaar

AG bepleit aftrekbaarheid van de kosten van aandelenemissie

Naar aanleiding van het door de staatssecretaris tegen een uitspraak van Hof Amsterdam uit 2006 ingestelde beroep in cassatie heeft Advocaat-Generaal Wattel een conclusie genomen. De heer Wattel concludeerde dat het voor de aftrek van emissiekosten relevante criterium is of:

In het eerste geval lopen de provisies over het vermogen van de emittent en zijn zij aftrekbaar als ondernemingskosten. In het tweede geval ziet de emittent af van storting van een deel van het kapitaal in ruil voor zekerheid van plaatsing van de aandelen en zijn de emissiekostenprovisies een niet-aftrekbare emissiekorting die de storting van kapitaal verlaagt. Welke van de twee gevallen aan de orde is, hangt af van de uitleg van overeenkomsten en prospectussen en is volgens de AG daarom in cassatie maar beperkt toetsbaar. De AG concludeerde tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie van de staatssecretaris.

Bron:
Fida 20070352 - Conclusie AG 19 december 2006 43220


Advocaatkosten aftrekbaar bij arbeidsconflict

AG bepleit wetswijzing voor aftrek van advocaatkosten bij arbeidsconflict

In verband met zijn ontslag wegens wanprestatie schakelde X een advocaat in. In zijn aangifte IB 2002 voerde hij de advocaatkosten op als negatief loon. De inspecteur wees de aftrek af. Hof Leeuwarden verwierp de stelling van X dat het vervallen van de mogelijkheid om beroepskosten af te trekken onder de Wet IB 2001 in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat de kosten wel belastingvrij konden worden vergoed door de werkgever. Naar aanleiding van het door X ingestelde beroep in cassatie heeft Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen bij deze zaak en in vier andere (niet eerder voor publicatie vrijgegeven) verwante zaken een conclusie genomen. De AG concludeerde dat de werknemer die kosten van rechtsbijstand in verband met een arbeidsconflict had gemaakt, werd gediscrimineerd. Het belastingvrijdom van de onbelaste vergoeding van kosten van rechtsbijstand enerzijds en de uitsluiting van aftrek anderzijds kan volgens de AG niet worden gerechtvaardigd. De AG besloot dat de reparatie van deze ondeugdelijke wetgeving moest worden overgelaten aan de wetgever, omdat het niet aan de rechter, maar de wetgever is om in een rechtstekort te voorzien.

Bron:
Fida 20064127 - Conclusie AG 28 november 2006 41000


Kosten elektrische garagedeur aftrekbaar

Energiekosten elektrische garagedeur aftrekbare ziektekosten

X had fysieke klachten en ademhalingsproblemen als gevolg van de ziekten CVA en COPD en was aangewezen op het gebruik van een auto. In zijn aangifte IB 2003 hield X rekening met een persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven wegens ziekte. Het betrof onder meer € 972 aan vervoerskosten. De inspecteur corrigeerde de aangifte. X kon volgens de inspecteur geen rekening houden met de energiekosten van zijn garage. X ging in beroep en stelde dat hij lichamelijk niet in staat was zijn autoruiten vorstvrij te maken, zodat het voor hem noodzakelijk was zijn auto in de verwarmde garage te stallen. Verder was volgens X ook het gebruik van een elektrische garagedeur noodzakelijk. Rechtbank Arnhem besliste dat de energiekosten voor de verwarming van de garage terecht niet tot de vervoerskosten waren gerekend. Het verwarmen was niet noodzakelijk om de autoruiten vorstvrij te houden. Louter het stallen van de auto in de garage was daarvoor voldoende. De Rechtbank vond het wel aannemelijk dat het voor X noodzakelijk was om in verband met zijn lichamelijke beperkingen een elektrische garagedeur te gebruiken. De daaraan verbonden energiekosten moesten worden aangemerkt als extra kosten die X in verband met zijn ziekte had gemaakt ten opzichte van personen die niet ziek of invalide waren. De inspecteur maakte niet aannemelijk dat het hebben van een elektrische garagedeur onder mensen zonder ziekte zo normaal was dat de extra kosten om die reden buiten beschouwing moesten blijven. De Rechtbank stelde de energiekosten die betrekking hadden op de garagedeur in goede justitie vast op € 40. X kon € 944 aan vervoerskosten in aftrek brengen.

Bron:
Fida 20063804 - Arr.rb. Arnhem 24-11-2006 AWB06/2896


Fiscus legt naheffing op flirtles

Geen BTW-onderwijsvrijstelling voor flirtmanagement en flirtdiners

Ondernemer X hield zich bezig met het ontwikkelen en geven van trainingen. Zijn prestaties bestonden voornamelijk uit het tijdens personeelsavonden geven van flirtmanagement, het organiseren van vrijgezellenparty's en het organiseren van flirtdiners voor singles. X stelde dat de hiermee behaalde omzet was vrijgesteld van BTW, omdat de prestaties onder de onderwijsvrijstelling vielen van artikel 11, lid 1, onderdeel o, van de Wet omzetbelasting. De inspecteur was het hier niet mee eens en legde een naheffingsaanslag BTW op. X ging in beroep en stelde dat de Belastingdienst hem desgevraagd twee maal via de Belastingtelefoon had meegedeeld dat de vrijstelling van toepassing was. Rechtbank Haarlem besliste echter dat de telefonische antwoorden van de medewerker van de Belastingdienst slechts een in rechte te beschermen vertrouwen wekten, indien X de onjuistheid van de antwoorden niet had kunnen en moeten beseffen en hij afgaande op de onjuiste antwoorden, een handeling had verricht of nagelaten waardoor hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting had moeten betalen, maar bovendien ook schade leed. Volgens de Rechtbank had X niet aannemelijk gemaakt dat hij schade had geleden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20063455 - Rechtbank Haarlem 17-10-2006, nr. 06/1665


Boete voor zwartspaarders vervalt

Geheimhoudingsneurose wordt fiscus fataal in KB Lux-zaken

De geforceerde geheimhoudingsdrift in de KB Lux-affaire is de Belastingdienst fataal geworden bij aan ontkenners opgelegde navorderingsaanslagen IB/VB met boeten van 100%. De tweede meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem heeft namelijk op 25 oktober 2006 deze navorderingaanslagen en boeten van tafel geveegd, omdat de fiscus maar bleef weigeren om de op de zaak betrekking hebbende stukken openbaar te maken. In een tussenuitspraak van 20 april 2006 besliste de eerste meervoudige belastingkamer van Hof Arnhem dat de inspecteur de ongeschoonde versie van het draaiboek en de nieuwsbrieven in het kader van het rekeningenproject moest overleggen, omdat deze stukken moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb en deze stukken naar vorm en inhoud als één geheel moesten worden beschouwd. Volgens het Hof was het namelijk een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht dat een belanghebbende kon beschikken over alle stukken die met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berustten. Na deze uitspraak heeft Hof Arnhem op 25 oktober 2006 beslist dat het niet-openbaar maken van de stukken het fundament van een goede rechtspleging raakt. Het Hof strafte deze handelwijze genadeloos af met de zware sanctie van de gegrondverklaring van het beroep van de ontkennende vermeende KB Lux'ers. (De zaken werden gevoerd en gewonnen door respectievelijk drs. K. Leget van Leget & Co Belastingadviseurs te Oss en Mr. M. Hendriks van Jaegers & Soons advocaten-belastingkundigen te Nijmegen, -red.)

Bron:
Fida 20063390 - Hof Arnhem 25 oktober 2006 04/01343
Fida 20063391 - Hof Arnhem 25 oktober 2006 05/00077


Drank na vangst van zwaartspaarders

Borrelpraat in "Amsterdamse versie" van KB Lux-draaiboek

Na Hof Den Bosch, deden Hof Amsterdam en Hof Arnhem uitspraak in de zogenoemde 8:29-procedure inzake het draaiboek en de nieuwsbrieven die de Belastingdienst in het kader van het rekeningenproject maar niet wilde overleggen. Hof Amsterdam ging minder ver dan Hof Arnhem, welk Hof tot integrale openbaarmaking concludeerde van alle passages van het draaiboek en de nieuwsbrieven. Hof Amsterdam bracht in de openbaarmaking beperkingen aan. Volgens dit Hof hoefden niét openbaargemaakt te worden:

Na deze uitspraken heeft de Belastingdienst besloten aan de opdracht van Hof Amsterdam te voldoen, en een draaiboek en nieuwsbrieven te overleggen. Dit als "Amsterdamse versie" aangeduid draaiboek en nieuwsbrieven, heeft de Belastingdienst ook aan de belanghebbenden in de Arnhemse zaken overgelegd. Het meest opvallend aan deze Amsterdamse versie van het draaiboek en de nieuwsbrieven is dat zij inhoudelijk geen nieuws bevatten. Het nieuwswaardige is dat hoofdstuk 4 over de strategie in de klantbehandeling en de historische gegevens in het kader van de klantbehandeling nog steeds één grote witte vlek vormen. Anderzijds geeft de Amsterdamse versie wel meer inzicht in de achtergronden van de informatieverplichtingen, de omkering van de bewijslast en de sfeerovergang in het KB Lux-project. Verder zijn wat meer bijlagen openbaar gemaakt ten opzichte van de aan Fiscaal up to Date overgelegde eerste versie van het draaiboek. In het oog springend zijn de eerder verborgen gehouden achtergrondgrapjes die in de nieuwsbrieven worden aangeduid als "anekdootjes" en de omschrijving van de kwaliteiten waaraan een medewerker van het KB Lux-project moet voldoen. In elk geval is voor een als "REKPROF" vereist dat hij goed en veel alcohol kan innemen. De trekker van de pilot gaf dan ook aan dat hij ervoor vreesde dat het rekeningenproject in de toekomst zou voortleven onder de term "borrelproject".

Bron:
Fida 20061799 - Belastingdienst 1 juni 2006 Publicatienummer onbekend


Toch boete over zwart geld

Geen boete voor na persbericht, maar vóór vragenbrief gedane verbetering

X nam contact op met een medewerker van NautaDutilh. Hij gaf aan dat hij wilde overgaan tot fiscale inkeer en verklaarde dat hij op dat moment nog geen vragenbrief inzake de KB Lux van de Belastingdienst had ontvangen. De medewerker van NautaDutilh nam 25 januari 2002 contact op met de Belastingdienst en vroeg naar de voorwaarden van vrijwillige verbetering. De ambtenaar van de Belastingdienst antwoordde dat hij eerst de naam van de cliënt moest weten. Op 25 januari 2002 stuurde de Belastingdienst een brief aan X waarin stond dat was gebleken dat hij een bankrekening had (aangehouden), en werd gevraagd om nadere inlichtingen te verstrekken. De medewerker van NautaDutilh nam op 29 januari 2002 contact op met de Belastingdienst en noemde de naam van X. Na uitgebreide contact en uitgebreide correspondentie tussen NautaDutilh en de Belastingdienst stuurde de inspecteur X twee vaststellingsovereenkomsten toe. X ontving één navorderingsaanslag VB 1998 met een boete van 50%. X ging in beroep.
Hof Amsterdam besliste dat de regeling van de vrijwillige verbetering alleen van toepassing was indien een belastingplichtige op eigen initiatief zijn aangiften verbeterde, voordat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend was of zou worden. Weliswaar had het ministerie van Financiën reeds in een persbericht van 15 januari 2002 aangekondigd dat de Belastingdienst een onderzoek instelde naar in het buitenland aangehouden bankrekeningen, maar dat stond blijkens dat persbericht er niet aan in de weg dat tot vrijwillige verbetering kon worden overgegaan.
Het Hof had geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de medewerker van NautaDutilh waarin stond dat X op vrijdag 25 januari 2002, vóórdat hij een vragenbrief had ontvangen, zonder nadere voorwaarden wilde overgaan tot fiscale inkeer, waarna die medewerker nog diezelfde dag contact had opgenomen met de Belastingdienst. Het Hof concludeerde dat sprake was van vrijwillige verbetering en vernietigde de boete.

Bron:
Fida 20060177 - Hof Amsterdam 18 januari 2006 04/02343


Spaarder in Luxemburg gaat vrijuit

Openbaar Ministerie krijgt bewijs KB Lux'ers niet rond

Naar aanleiding van de uitspraak van de strafkamer van Rechtbank Maastricht waarin de OvJ in haar requisitoir vrijspraak van een KB Lux-verdachte vorderde en de zaak waarin de OvJ een strafzitting te elfder uren afblies, heeft Fiscaal up to Date aan het functioneel parket van het Openbaar Ministerie (OM) de vraag voorgelegd of uit de recente gang van zaken mag worden afgeleid dat het OM nu in alle gevallen waarin er geen tweede zelfstandig bewijsmiddel is, niet verder zal vervolgen of de vervolging intrekt of vrijspraak vordert. Een persvoorlichter van het functioneel parket antwoordde hierop dat voor zover de zaken nog niet zijn aangebracht, deze inderdaad niet verder worden vervolgd. Bij zaken die al wel zijn aangebracht, wordt aan de OvJ overgelaten te overwegen of er voldoende bewijsmateriaal is. Zo niet dan wordt inderdaad vrijspraak gevorderd.

Bron:
Fida 20053988 - Diversen 9 november 2005


Fiscus gaf zwartspaarder geen eerlijk proces

Desastreuze nederlaag voor fiscus in KB Lux-zaak

In een door een ontkennende KB Lux'er aanhangig gemaakte procedure besliste de belastingkamer van Hof Den Bosch in een tussenuitspraak van 13 mei 2005 dat het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject door de inspecteur overgelegd moesten worden, omdat daarin het beleid en de feitelijke informatie stond waarop de inspecteur zich bij de aanslagregeling en de verdere behandeling van de zaak had gebaseerd. Het Hof gaf de inspecteur een termijn van twee weken om aan het verzoek te voldoen. Op 16 juni 2005 overlegde de inspecteur versies van het draaiboek en nieuwsbrieven, waarbij meer passages waren weggelaten dan in de tussenuitspraak was beoogd.
Op een zitting van 30 juni 2005 gaf het Hof de inspecteur nog één week om aan het verzoek gehoor te geven. Het Hof wees de inspecteur daarbij nog eens op artikel 8:31 Awb.
De inspecteur weigerde de passages in het geding in te brengen, waarna Hof Den Bosch op 22 september 2005 uitspraak heeft gedaan met een voor de Belastingdienst vooralsnog desastreuze afloop. Het Hof heeft namelijk zowel de navorderingsaanslag als de 100%-boete van tafel geveegd, met overwegingen die in het belastingrecht niet eerder aan de orde zijn gekomen. Volgens het Hof had de inspecteur door zijn weigering om een groot deel van de gevraagde passages in het geding te brengen, het Hof en de belanghebbende de mogelijkheid ontnomen te onderzoeken of daarin informatie was opgenomen die zou moeten leiden tot vernietiging of vermindering van de navorderingsaanslagen en de boeten.

Bron:
Fida 20053358 - Hof Den Bosch 22 september 2005 04/00345


"Stilzittende" justitie stoot neus weer in KB Lux-zaak

OvJ niet-ontvankelijk in vervolging KB Lux-rekeninghouder

De strafkamer van Rechtbank Den Haag heeft de Officier van Justitie in een KB Lux-zaak niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. In afwijking van de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad, besliste de Rechtbank dat het moment van verhoor in september 2001 in dit geval als startpunt voor de redelijke termijn kon worden genomen. Gerekend vanaf dat moment waren er drie jaar en vier maanden verlopen tot de zaak bij de Rechtbank werd behandeld. De redelijke termijn was overschreden in verband met nader onderzoek dat moest worden verricht naar de wijze waarop de Belgische justitie de rekeninggegevens had verkregen en dat had heel lang geduurd, zonder dat de verdachte op de hoogte was gehouden over de voortgang. Verder had het Openbaar Ministerie verzuimd om bepaalde stukken in het dossier van de onderhavige zaak te voegen, en was het dossier vlak voor de zitting nog niet compleet. Tot slot was de verdachte door de grote vertraging in zijn zaak inmiddels 70 jaar oud en had hij aldus de vervolgingsgrens van de toepasselijke ATV-richtlijnen bereikt. Het "volstrekt stilzitten van het Openbaar Ministerie en het niet verstrekken van voornoemde stukken waarop nu juist werd gewacht alsmede de leeftijd van verdachte" moesten volgens de Rechtbank worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden naast de ruime overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank achtte daarom slechts de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie passend en geboden. Het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de Rechtbank.

Bron:
Fida 20051914 - Arr.rb. Den Haag 25 maart 2005 09/017035-01


Verbod op politieverhoor zwartspaarders KB Lux

Hof acht politiedwang jegens aangeslagen en beboete KB Lux'ers onrechtmatig

De civiele kamer van Hof Den Haag heeft thans op een hoger beroep van de Staat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van Rechtbank Den Haag beslist dat de Staat geen politiedwang mag toepassen of mag dreigen jegens belastingplichtigen die zich niet vrijwillig onderwerpen aan een politieverhoor met betrekking tot hun informatieverplichtingen over het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen, indien aan hen met betrekking tot de belastingjaren ten aanzien waarvan dat verhoor zou moeten plaatsvinden vergrijpboeten zijn of worden opgelegd op grond van het vermoeden dat zij niet hebben voldaan aan de informatieverplichtingen met betrekking tot het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen. Volgens het Hof was op grond van artikel 69a AWR het recht tot strafvervolging vervallen met betrekking tot strafbare feiten in verband met het niet (behoorlijk) voldoen aan de informatieverplichtingen met betrekking tot het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen. Door het vervallen van het recht tot strafvervolging, handelde de Staat volgens het Hof onrechtmatig indien hij de betrokken belastingplichtigen door toepassing van politiedwang aan een verhoor onderwierp of hen daarmee dreigde, indien zij niet vrijwillig gehoor gaven aan een uitnodiging voor een verhoor.

Bron:
Fida 20051207 - Hof Den Haag 31 maart 2005 04/1431KG


Zalmsnip onverwacht nog maand van kracht

Gemeenten kunnen Zalmsnip nog na 1 januari 2005 uitkeren

De Wet tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de afschaffing van de lokale lastenverlichting van € 45,38. Op grond van het in artikel III vermelde zou de Wet per 1 januari 2005 in werking treden. In een hierbij opgenomen voetnoot staat vermeld dat de inwerkingtreding van deze Wet op grond van de tijdelijke Referendumwet is opgeschort tot 5 februari 2005.

Naar aanleiding van vragen van Fiscaal up to Date over de gevolgen van de opschorting van de datum van inwerkingtreding, heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties laten weten dat de facultatieve bepalingen in de Gemeentewet het de gemeenten mogelijk maken het bedrag van € 45,38 via één van de genoemde gemeentelijke belastingen te distribueren. Gemeenten zijn op grond van de wet niet verplicht om dit bedrag ook daadwerkelijk uit te keren, maar zij kunnen wel besluiten om dit bedrag alsnog dit jaar aan de burgers te doen toekomen. Dit betekent dat gemeenten die dat willen nog tot 5 februari 2005 - en dus tegen het kabinetsbeleid en het doel van het wetsvoorstel in - een eigen inkomensbeleid kunnen voeren met de Zalmsnip. Gemeenten die hiervoor warm lopen, moeten snel zijn en kunnen volgens Fiscaal up to Date van het Rijk een uitkering uit het gemeentefonds vragen, aangezien de opschorting van de inwerkingstredingsdatum ook hiernaar doorwerkt.

Bron:
Fida 20044683 - Staatsblad 30-12-2004, nr. 2004/743


Tweeduizend zwartspaarders zijn onvindbaar

Cijfermatige stand van zaken KB Lux per 7 juli 2004

Fiscaal up to Date heeft de beschikking gekregen over cijferoverzichten waarin in hoofdlijnen de resultaten van het onderzoek van de Belastingdienst naar de microfiches van de KB Lux zijn opgenomen. De overzichten geven de stand van zaken per 7 juli 2004 weer. Verder bevatten de cijferoverzichten nog interessante achtergronden over:

Bron:
Fida 20042801 - Belastingdienst 7 juli 2004


Computerfout bij fiscus kost miljoenen

Aanslag vernietigd door lakse houding Belastingdienst

Door een systeemfout in het computersysteem van de Belastingdienst werd ter zake van een - forse - aanslag successierecht ten onrechte een "beschikking geen aanslag" vastgesteld voor X.
Nadat de gemachtigde van X er op had gewezen dat de beschikking waarschijnlijk niet juist was, volgde wederom - door dezelfde systeemfout - een "beschikking geen aanslag". Nadat de gemachtigde wederom om opheldering had gevraagd, volgde op 26 september 2001 de juiste aanslag. De inspecteur converteerde de aanslag in een navorderingsaanslag.
Hof Den Bosch besliste dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte en dat de navorderingsaanslag slechts in stand kon blijven als de gevolgen van de systeemfout gelijk te stellen waren aan de gevolgen van een schrijf- of tikfout of een daarmee gelijk te stellen vergissing. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 1995 besliste het Hof dat er sprake was van een ambtelijk verzuim omdat de systeemfout zes jaar na de constatering er van nog steeds niet was verholpen terwijl het financiële belang zeer groot was.
Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag.

Bron:
Fida 20041344 - Hof Den Bosch 9 maart 2004 02/02024


Rechters zijn laksheid van gemeenten beu

Procedurele blunders voor rekening van gemeente

X had van de gemeente Amstelveen een naheffingsaanslag parkeerbelasting ontvangen omdat zij de parkeertijd waarvoor zij had betaald met een kwartier had overschreden. Zij stelde dat zij kort voor het aflopen van de parkeertijd naar een warenhuis was gegaan voor een toiletbezoek, omdat zij door buikkrampen was overvallen. De gemeente had hierop geantwoord dat het plotseling opkomen van buikkrampen geen excuus vormde omdat X, die medicijnen gebruikte ter regulering van haar stoelgang, er rekening mee had moeten houden dat haar iets dergelijks zou kunnen overkomen. X ging in beroep.
Hof Amsterdam besliste dat de gemeente het verzuim van X als een geval van overmacht had moeten aanmerken en alsnog zonder gevolgen had moeten laten, omdat de gemeente zich in de beroepsprocedure bij herhaling procedurele verzuimen had gepermitteerd en niet had gedaan wat in het belang van een ordelijke procesgang van de gemeente als professionele procespartij mocht worden verwacht.
Van de gemeente als professionele procespartij mocht volgens het Hof worden verwacht dat hij zonder gebreken en op de geëigende tijdstippen de processuele handelingen verrichtte die in een eenvoudig belastinggeschil als in het onderhavige van hem mochten worden verwacht.
Het Hof verklaarde het beroep gegrond.

Bron:
Fida 20041112 - Hof Amsterdam 30 maart 2004 02/06105


UWV mist mogelijk miljoenen

Geen premie over wegens verlofdagen gereserveerd loon

Werkgever X vormde een reserve in verband met het niet-uitbetaalde loon over de door haar werknemers opgenomen verlofdagen. X hield ten aanzien van die gereserveerde bedragen geen rekening met premies werknemersverzekeringen. Ook op het moment van uitbetaling van de gereserveerde bedragen was er volgens haar geen sprake van premieplichtig loon. Het Uwv stelde dat X premies werknemersverzekeringen verschuldigd was en legde correctienota's op. X ging in beroep en verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2001.
Rechtbank Rotterdam stelde vast dat aan de hoogte van het loon op grond van artikel 9 CwSV een maximumbedrag was verbonden, waarboven premieheffing achterwege moest blijven. De hoogte van het maximumbedrag werd op grond van artikel 9, lid 1, CwSV berekend door het aantal dagen, waarover in het premiebetalingstijdvak loon was genoten, te vermenigvuldigen met het maximum dagloon. De Rechtbank was het met X eens dat uit jurisprudentie van de Centrale Raad volgde dat het aantal dagen waarover de werknemer loon had genoten geen andere betekenis kon hebben dan de dagen waarop de werknemer tegen loon had gewerkt. De Rechtbank zag in tegenstelling tot het Uwv geen enkele aanleiding om van die jurisprudentie af te wijken. Dit betekende dat de dagen dat loon werd genoten, maar waarop niet was gewerkt, niet konden worden betrokken in de premieheffing werknemersverzekeringen.
De Rechtbank vernietigde de correctienota's. (Wij ontvingen deze uitspraak van BDO Accountants & Adviseurs te Dordrecht, -red.)

Bron:
Fida 20040273 - Arr.rb. Rotterdam 14 januari 2004 PREMIE03/1102HRK


Loonbelasting goede doelen

Afstand van laatste uurtje loon leidde nog niet tot heffing

In november 2000 riep de Raad van Bestuur van KPMG NV al haar medewerkers op om ten behoeve van een goed doel af te zien van het bruto-salaris dat zij in het laatste uur van 2000 zouden verdienen. De deelnemers aan de actie konden afstand doen van het salaris door het accepteren van een aanvullende arbeidsovereenkomst. De werknemers die de aanvullende arbeidsovereenkomst accepteerden, deden op dat moment daadwerkelijk, onvoorwaardelijk en definitief afstand van hun recht op het uurtje salaris en konden daarop nadien geen aanspraak meer doen gelden. Vervolgens konden de deelnemers op grond van een beding in de aanvullende arbeidsovereenkomst hun uurtje salaris geven aan één van de vijf door KPMG geselecteerde goede doelen. KPMG verdubbelde het eindbedrag en garandeerde een minimum-inleg van f 100.000. Hof Amsterdam besliste dat de werknemers die hadden deelgenomen aan de actie en daardoor hadden afgezien van een deel van hun salaris, dit salaris niet hadden genoten. De betaling door KPMG aan de vijf geselecteerde goede doelen was volgens het Hof wél aan te merken als de betaling van loon uit de desbetreffende dienstbetrekking. Dit voordeel uit de dienstbetrekking bestond volgens het Hof uit de schenkingen aan de goede doelen die KPMG had gedaan. Dat betekende dat het genietingsmoment ter zake van het laatste uurtje loon van 2000 lag op het moment van betaling van de schenking door KPMG in januari 2001. Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag LB.

Bron:
Fida 20033504 - Hof Amsterdam 30 oktober 2003 0300246


Belastingontduikers in de tegenaanval

Ministerie ontkent boeteloze navordering KB Lux

In Fiscaal up to Date (FutD) nummer 2003-1413 plaatsten wij een artikel over een vermoedelijke KB Lux-rekeninghouder die als zodanig door de Belastingdienst was benaderd en die nadien overging tot vrijwillige verbetering. De navorderingsaanslag werd echter zonder boete opgelegd. De inspecteur bevestigde desgevraagd dat de vrijwillige verbetering was geaccepteerd. Dit artikel heeft tot de nodige beroering bij het ministerie van Financiën c.q. de projectgroep geleid, zo is ons ter ore gekomen.
Op 8 september 2003 legden wij, ter verificatie van deze informatie, vragen voor aan het ministerie. Op 25 september 2003 deelde de woordvoerder van het ministerie van Financiën ons telefonisch mede dat de in FutD 2003-1413 vermelde zaak niet bestond. Verder had de projectgroep volgens de woordvoerder ontkend dat advocaten en/of belastingadviseurs zich (hebben) beroepen op de publicatie. Op ons verzoek werd deze mededeling op 3 oktober 2003 door mevrouw H. Neppérus, namens de staatssecretaris van Financiën, schriftelijk verwoord. Zij liet weten dat de Belastingdienst de feiten zoals vermeld in FutD 2003-1413 niet kan verifiëren omdat de casus niet te traceren is. De Belastingdienst acht het niet waarschijnlijk dat een en ander daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Er bestaan volgens mevrouw Neppérus geen voornemens het beleid met betrekking tot het rekeningproject te wijzigen.
Gezien deze "onwaarachtige" reactie hebben wij besloten de volgende brondocumenten ter beschikking te stellen: Een proces-verbaal van een notaris, waaruit blijkt dat de casus zoals deze is beschreven wel degelijk bestaat, en een brief van de Belastingdienst/Amsterdam waaruit blijkt dat een inspecteur vooralsnog niet bereid is in een andere KB Lux-zaak de boete achterwege te laten, omdat de Belastingdienst een beleidswijziging aan het voorbereiden is naar aanleiding van het artikel in FutD.

Zie verder KB-Lux-dossier onder B.4. Inkeer.

Bron:
Fida 20033204 - Min. v. Fin. 3 oktober 2003 DGB2003-05320U
Fida 20033426 - Belastingdienst 21 augustus 2003 Publikatienummer onbekend
Fida 20033427 - FutD 1 oktober 2003 Publikatienummer onbekend
Fida 20033439 - Diversen 30 oktober 2003 Publikatienummer onbekend


Zwartspaarder in 1995 al bij fiscus bekend

FIOD kreeg KB Lux microfiches reeds in 1995 aangeboden

Uit een proces-verbaal dat een FIOD-ambtenaar in 1996 opmaakte, blijkt dat iemand die zich als "André" presenteerde zich 6 februari 1995 bij het belastingkantoor te Amsterdam meldde als tipgever. Deze André woonde in België en had bij een bank gewerkt. André meldde dat hij onder meer van de Kredit Bank Luxemburg (KB Lux) en de Norske Bank Luxemburg gegevens kon leveren. Deze gegevens kreeg hij van vrienden. Als André de gegevens wist te verkopen, werd de opbrengst daarvan op fifty-fifty-basis verdeeld tussen hem en de vriend die de informatie verstrekte. De Franse autoriteiten hadden dergelijke in-formatie al gekocht tegen een premie van 5%. André schatte het totale belang voor Neder-land op f 100 mln. André wilde de informatie aan de Nederlandse fiscus verkopen en vroeg een provisie op basis van no cure no pay. Als monstermateriaal toonde André aan de FIOD-ambtenaar de bankgegevens van een drietal in Nederland wonende personen. Na 6 februari 1995 nam André nog diverse malen telefonisch contact op met de FIOD-ambtenaar met de vraag of de Belastingdienst wilde ingaan op zijn voorstellen. Nadat het ministerie van Financiën aan de FIOD-ambtenaar had meegedeeld dat niet werd ingegaan op het voorstel en de FIOD-ambtenaar dat vervolgens aan André had meegedeeld, heeft de FIOD-ambtenaar niets meer van André vernomen.

Ons commentaar
In november 2001 stelde het Tweede-Kamerlid De Wit (zie FutD 2001-2192) vragen over een onderzoek van de Belastingdienst naar tegoeden van Nederlanders bij buitenlandse banken. De toenmalige staatssecretaris, Wouter Bos, beaamde het bestaan van dat on-derzoek en stelde dat de gegevens waarover de Belastingdienst voor het onderzoek be-schikte, spontaan waren verstrekt door onder andere de centrale administratie van de bij-zondere belastinginspectie van het Belgische ministerie van Financiën. De staatssecretaris benadrukte dat bij de verkrijging van de gegevens de EG-richtlijn van 19 december 1977 nr. 77/799/EG inzake wederzijdse bijstand, in acht was genomen (zie FutD 2001-2326). Later werd uit een door een opsporingsambtenaar van de FIOD opgemaakt proces-verbaal in een KB Lux-zaak (zie FutD 2002-1350 met ons commentaar) duidelijk dat de door de bevoegde Belgische autoriteiten verstrekte gegevens bestonden uit fotokopieën van afgedrukte micro-fiches, die afkomstig waren uit de interne administratie van de KB Lux. Uit een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 12 september 2002 (zie FutD 2002-1763 en FutD 2002-2087 beiden met ons commentaar) bleek vervolgens dat fotokopieën van afgedrukte microfiches van de KB Lux bij brief van 27 oktober 2000 van de Eerste Attaché van Financiën, P. Sere, namens de Directeur-generaal van het Belgische ministerie van Financiën waren aange-boden aan het Nederlandse ministerie van Financiën. Bij brief van 27 april 2001 had de heer Sere namens zijn Directeur-generaal toestemming verleend de informatie aan te wenden voor strafrechtelijke doeleinden (deze brieven heeft het ministerie van Financiën na een ver-zoek van Fiscaal up to Date niet voor openbaarmaking willen vrijgeven; zie FutD 2002-2087).

Uit het bovengenoemde proces-verbaal dat de FIOD-ambtenaar in 1995 opmaakte naar aanleiding van de komst van tipgever André (waarschijnlijk één van de ex-werknemers van de KB Lux) blijkt dat het ministerie van Financiën bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 met daarbij de fotokopieën van afgedrukte microfiches van de KB Lux van de heer P. Sere niet "spontaan" verrast kon en mocht zijn. Het ministerie van Financiën was namelijk al vanaf 1995 op de hoogte van de microfiches van de KB Lux omdat André zijn koopwaar in 1995 had aangeboden aan de FIOD en de FIOD-ambtenaar het ministerie van Financiën hiervan in kennis had gesteld. Ook uit een artikel in Trouw van 8 augustus 1996 (zie Fida 20033321) blijkt dat het Nederlandse ministerie van Financiën in elk geval al begin 1996 op de hoogte was van onderzoeken die het Belgische ministerie van Justitie was gestart nadat dat ministerie de beschikking had gekregen over de gegevens die ex-werknemers van de KB Lux op illegale wijze hadden verkregen. Het ministerie van Financiën droeg dus veel eer-der dan bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 van P. Sere kennis van de (foto-kopieën van afgedrukte) microfiches van de KB Lux en moest bij ontvangst van de brief van 27 oktober 2000 met de microfiches hebben geweten wat de achtergronden hiervan waren. Dit betekent dat de Nederlandse Staat zich sinds het gebruik van deze microfiches in straf- en belastingprocedures vanaf 2001 niet kan verschuilen achter onwetendheid over de her-komst van de microfiches en wist of moet geacht worden te weten dat de microfiches waren gestolen of gekopieerd door werknemers van een bank met een bankgeheim. Door deze mi-crofiches in strafzaken en fiscale procedures te gebruiken, handelt de Nederlandse overheid naar onze mening op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk han-delende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van deze gegevens onder alle om-standigheden (strafrechtelijk en fiscaalrechtelijk) ontoelaatbaar is. Het zou interessant zijn om te weten waarom André niets kon verkopen in 1995. Als dat zou zijn gebaseerd op de overtuiging bij het ministerie van Financiën dat met op deze wijze verkregen gegevens (strafrechtelijk) niets gedaan kon worden, is bepaald niet uit te sluiten dat Nederland ver-volgens aan België heeft gevraagd "spontaan" aan Nederland "bepaalde" gegevens te ver-strekken. Dit zou niet de eerste keer zijn dat landen op deze wijze gegevens uitwisselen. De naïviteit van de Groningse strafrechter (zie FutD 2003-1892 met ons commentaar) zou hier-mee wel op schrijnende wijze worden onthuld.

Bron:
Fida 20033295 - FIOD Amsterdam 26-11-1996


Mkb loopt vele miljoenen mis bij uitvoer goederen

Douane frustreert teruggave accijns en verbruiksbelasting

De export vanuit Nederland wordt door een falende organisatie bij de douane ernstig gefrustreerd. Door een starre bureaucratie en tegenwerking bij de teruggave van accijns en verbruiksbelasting loopt vooral het midden- en kleinbedrijf (mkb) jaarlijks vele miljoenen euro's mis. Dit probleem speelt zich voornamelijk af in de Rotterdamse haven.

Gedupeerde bedrijven die bij de douane verhaal halen over de falende afhandeling van exportformulieren krijgen nul op rekest en laten de teruggave daarom maar voor wat die is. Naar hun betaalde belastinggeld kunnen ze dan fluiten. Voor directeur Pieter Hammerstein van exportadviesbedrijf Hammerstein & Partners was onlangs - na vele malen zijn neus gestoten te hebben - de maat vol. Hij nam een advocaat in de arm en dreigt de douane nu met meerdere kort gedingen als de situatie niet snel verbetert. Zijn actie wordt ondersteund door de koepelorganisaties EVO (verladers), VRC (cargadoors) en Fenex (expediteurs).

Hammersteins verdiensten bestaan uit een percentage van teruggave van accijns en verbruiksbelasting. Zijn grootste klacht is dat de douane hem, geheel tegen wettelijke bepalingen in, niet de formulieren terugzendt waarmee de export wordt bewezen. Vervolgens wijst de douane zijn verzoeken tot teruggave van belastingen af, omdat hij deze formulieren niet in zijn bezit heeft. Zijn advocaat Ton Steinz uit Laren neemt geen blad voor de mond. "Het gaat om een kwaadaardige vorm van bureaucratie, die bovendien geheel in strijd is met het kabinetsbeleid om de administratieve lasten te verminderen. Het schadebedrag ligt jaarlijks volgens mij zelfs hoger: ik schat tussen de €10 en €15 miljoen."

Kenner bij uitstek van de douaneorganisatie, hoofdredacteur Piet Jan de Jonge van het vakblad Douane Update , bevestigt de problematiek. "Uitvoer heeft bij de douane nooit bovenaan het prioriteitenlijstje gestaan. Op de uitvoer valt niets te verdienen. Nu wordt over de rug van veel bedrijven toch nog vele miljoenen euro's verdiend aan de uitvoer. Door de slechte organisatie van relatief eenvoudige taken blijft er geld aan de strijkstok van de Belastingdienst hangen."

Veel mkb-bedrijven maken of verhandelen producten waarop accijns dan wel verbruiksbelasting wordt geheven. Deze belastingen worden vaak al bij productie geheven en betaald. Bedrijven die goederen uitvoeren, hebben recht op teruggaaf van reeds betaalde belastingen. Zij kunnen dan het zogenoemde nultarief claimen. Bij de uitvoer van goederen, bijvoorbeeld via de Rotterdamse haven, doen zij hiervan bij de douane aangifte. De aangifte bestaat uit een aantal formulieren waarvan 'exemplaar 3' cruciaal is. Nadat een container met goederen is geladen en voor export wordt aangeboden, stempelt de douane exemplaar 3 af. Wetgeving schrijft voor dat de douane dit formulier teruggeeft aan degene die het formulier aanbood (vaak de chauffeur van de truck die de container vervoerde) of terugzendt aan het adres van het uitvoerende bedrijf of zijn tussenpersoon. De exporteur kan met het afgestempelde formulier aantonen dat de goederen Nederland hebben verlaten. Voor die goederen mogen zij het nultarief in hun boekhouding opvoeren.

Hier gaat het mis. De douane lapt de wettelijke eisen aan zijn laars en 'dumpt' wagonladingen van deze formulieren op het bureau bij de rederijen en cargadoors. In sommige gevallen worden ze zelfs aan concurrerende exporteurs teruggestuurd. Rederijen op hun beurt zitten niet te wachten op extra administratieve rompslomp (één schip herbergt soms wel 6000 containers) en vragen daarom een fikse vergoeding aan ondernemers die hun exemplaar 3 terug willen hebben. Al met al wordt het mkb-bedrijven zó moeilijk gemaakt dat ze de aanvraag voor teruggaaf van accijns of verbruiksbelastingen maar laten zitten. Onder dreiging van het kort geding heeft de douane enige beterschap beloofd door in Rotterdam alleen voor Hammerstein & Partners een drie maanden durende proef voor te stellen. Gedurende deze periode worden afgestempelde exemplaren 3 rechtstreeks naar de expediteur gestuurd. Een woordvoerder van de douane laat weten "dat alléén de klacht van Hammerstein bekend is. Bovendien worden formulieren vaak niet goed ingevuld". Verder wijst hij erop dat de douane bezig is met vereenvoudiging van procedures en betere automatisering.

Bron:
De Telegraaf Stadseditie 11-10-2003 - pagina Financiële Telegraaf (TE041)


Zonder bonnetjes langs de douane

Bewijslast terugkerende goederen bij particuliere reizigers

Hof Amsterdam oordeelde dat de douane voor de toepassing van de vrijstelling terugkerende goederen voor de douanerechten en omzetbelasting, pas bij gegronde twijfel van een particuliere reiziger kan verlangen dat hij de communautaire status van bepaalde meegenomen goederen bewijst. De passagier is in beginsel vrij in het bewijs dat hij hiervoor moet leveren.

X is woonachtig in Nederland. Op 13 november 2000 arriveerde zij met het vliegtuig rechtstreeks vanuit Pakistan op de luchthaven Schiphol. In de aankomsthal passeerde zij de zogenoemde groene doorgang, waarna de douane de goederen die zij bij zich had controleerde. Bij deze controle werden 23 lijfsieraden aangetroffen, waarvoor de douane met behulp van de 'goudberekeningsmethode' de douanewaarde vaststelde. Drie van de sieraden werden aan X teruggeven, omdat deze in aanmerking kwamen voor de reizigersvrijstelling van artt. 45 tot en met 49, Verordening 918/83. Voor de overige sieraden (zestien armbanden, twee halskettingen en twee paar oorbellen) werd de gezamenlijke douanewaarde vastgesteld op f 9.351,00 en werd aan X een uitnodiging tot betaling opgelegd voor f 233,80 aan douanerechten en een voor f 1.677,40 aan omzetbelasting. Aangezien X de gevorderde bedragen niet direct voldeed, heeft de douane de sieraden in bewaring genomen.
Op 16 november 2000 reageerde X schriftelijk op de gebeurtenissen van 13 november 2000, welke brief door de inspecteur als verzoek om kwijtschelding in behandeling werd genomen. In het kader van de behandeling van dit verzoek heeft X foto's getoond aan de inspecteur, waarop zij de betreffende sieraden droeg. Nadat X de inspecteur telefonisch had medegedeeld dat zij geen aankoopfacturen van de sieraden kon overleggen, wees de inspecteur het verzoek af. In het bezwaar tegen deze afwijzing heeft X een op naam van D gestelde factuur van een juwelier uit Londen overgelegd.
Op 23 april 2001 wees de inspecteur het bezwaar af, waarna X beroep instelde bij de Tariefcommissie en bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, welke beroepen uiteindelijk in behandeling werden genomen door het Hof Amsterdam. In de beroepsprocedure stelde X dat de sieraden al in haar bezit waren toen zij op 10 oktober 2000 vertrok naar Pakistan. Ten bewijze daarvan heeft X foto's overgelegd, waarop X met de sieraden is afgebeeld. De afdrukdatum van deze foto's is juli 1998. De meeste sieraden had X cadeau gekregen, zodat zij daarvan geen aankoopfactuur kon overleggen. De inspecteur stelde dat uitsluitend een vrijstelling voor terugkerende goederen kan worden verleend, wanneer een inkoopfactuur van een in de EG gevestigde handelaar, een kwitantie van de bij invoer betaalde rechten of een bewijs dat de goederen bij een eerdere invoer bij de douane voor het vrije verkeer zijn aangegeven, worden overgelegd. De foto's waren naar de mening van de inspecteur onvoldoende bewijs, omdat niet kon worden vastgesteld waar de foto's waren gemaakt.

Het Hof overwoog, dat op grond van art. 185, Communautair Douanewetboek (CDW) op verzoek van een belanghebbende een vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor communautaire goederen die, na uit het grondgebied van de EG te zijn uitgevoerd, binnen een termijn van drie jaren opnieuw in de EG in het vrije verkeer worden gebracht (terugkerende goederen). De bewijsvoering om de status van terugkerende goederen aan te tonen, neergelegd in art. 848, Toepassingsverordening CDW (TCDW) is niet zo dwingend als de inspecteur naar voren heeft gebracht. Van particuliere reizigers kan hierbij niet worden verwacht dat zij van alle goederen die zij bezitten en die zich lenen om op reis te worden meegenomen tot in lengte van jaren bewijsstukken bewaren. Bij particulieren dient als doel voorop te staan dat het reizen niet ernstig moet worden belemmerd. De bewijslast over de status van goederen, die op het eerste gezicht niet voor handelsdoeleinden zijn bestemd en die naar algemeen gebruik tot een normale bagage of een normale dracht gerekend mogen worden, moet niet primair op de reiziger drukken. Wel moet de reiziger aangeven dat het om terugkerende goederen gaat, waartoe ook het passeren van de "groene doorgang", hetgeen X in casu deed, kan worden gerekend. Slechts bij gerede twijfel omtrent de juistheid van de aangifte en aan de hand van objectieve criteria kan de douane de aangifte niet voorshands volgen en nader bewijs verlangen.

In dit geval heeft de douane op geen enkele wijze aangegeven dat een toetsing aan objectieve criteria toch als gevolg zou moeten hebben dat de aangifte en de nadere verklaringen van X terzijde moeten worden gesteld. Als voorbeelden van objectieve criteria noemt het Hof de aard van de goederen, de productiedatum, sporen van gebruik, een redelijke hoeveelheid voor een reiziger of het doel van de reis. Bovendien heeft de inspecteur in het onderhavige geval onvoldoende gewicht toegekend aan de door X overgelegde foto's.

Al met al kwam het Hof tot het oordeel dat er geen redenen zijn om aan de aangifte en nadere verklaringen van X te twijfelen en dat het er derhalve voor moet worden gehouden dat de betreffende sieraden terugkerende goederen zijn, die op 13 november 2000 van douanerechten zijn vrijgesteld. Gelet op art. 21, lid 1, onderdeel a, Wet OB juncto art. 100, Douaneregeling oordeelde het Hof dat de vastgestelde aanspraak op vrijstelling van douanerechten met zich brengt dat in dit geval ook vrijstelling van omzetbelasting moet worden verleend.
Gerechtshof Amsterdam (Enkelvoudige Douanekamer) nrs. 01/90160 DK en 02/1128 DK, 21-05-2003

Ons commentaar
Tegen de bovengenoemde uitspraken van het Hof is door Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld, zodat wij in afwachting van de uitkomst ons commentaar zullen beperken.

Een opvallende uitspraak van het Hof, waarbij met eerdere jurisprudentie van de Tariefcommissie lijkt te worden gebroken. Wat was er aan de hand? Een Nederlandse belanghebbende kwam vanuit Pakistan met het vliegtuig aan op Schiphol en begaf zich naar het controlepunt van de douane in de aankomsthal en liep daar het groene kanaal in, dat wordt aangeduid met een groot groen bord "niets aan te geven". Nu is de term "niets aan te geven" niet een wettelijk correcte term. De communautaire douanewetgeving is namelijk zó opgebouwd, dat alle goederen die een passagier op of bij zich draagt, moeten worden aangegeven bij de douane (tot en met het ondergoed aan toe). Dit betekent niet dat iedere passagier alle goederen die hij bij zich heeft ook afzonderlijk aan de douane moet presenteren. De meeste goederen die een passagier doorgaans bij zich heeft, komen namelijk in aanmerking voor een vrijstelling van rechten bij invoer, omzetbelasting en accijns. Zo zijn er vrijstellingen voor terugkerende goederen (de goederen die een passagier ook al bij zijn vertrek bij zich had), voor een kleine hoeveelheid goederen die de passagier buiten de EG heeft gekocht en, de meest bekende, voor een beperkte hoeveelheid alcoholhoudende dranken en rookwaar. Voor deze goederen kan een passagier zijn aangifte doen door het passeren van het groene kanaal. Door die handeling doet de passagier aangifte voor alle goederen die hij bij zich heeft en doet meteen een beroep op alle mogelijke vrijstellingen die op deze goederen van toepassing zijn.
Zo ook de belanghebbende in deze zaak, die in feite een beroep wilde doen op de vrijstelling voor terugkerende goederen. De douane controleerde de goederen die zij bij zich had, waaronder de sieraden. Voor deze sieraden stelde de douane zich op het standpunt dat zij met bepaalde bewijzen moest komen, omdat anders geen vrijstelling van douanerechten en omzetbelasting kon worden verleend. Art. 848, TCDW noemt inderdaad een aantal documenten aan de hand waarvan de status van terugkerende goederen kan worden aangetoond, maar biedt daarnaast de mogelijkheid om deze status met andere bewijsstukken aan te tonen. Het Hof neemt dit in zijn overwegingen mee om vervolgens te oordelen dat de douane deze bewijsstukken niet zonder meer en onder alle omstandigheden kan verlangen van een passagier. Kortom, een principiële uitspraak van het Hof, waarvan wij benieuwd zijn hoe het cassatieberoep zal aflopen.


Ruzie rond belastingheffing voor paleizen

WOZ-waarden Paleis Noordeinde en Paleis Huis ten Bosch niet nihil

De gemeente Den Haag had aan eigenaar X WOZ-beschikkinggen afgegeven voor onroerende zaken die op de monumentenlijst stonden op grond van het historisch belang en de betekenis van de rijksoverheidsfunctie ter plaatse. De onroerende zaken waren bij besluit van 15 juli 1980, houdende aanwijzing van paleizen als bedoeld in artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (Stb. 1980, nr. 435, waaruit blijkt dat het Paleis Noordeinde en Paleis Huis ten Bosch betreft, -red.). De gemeente had de WOZ-waarde van de ene onroerende zaak vastgesteld op f 40 mln en de andere onroerende zaak op f 16.675.000. Het ene paleis was gerenoveerd tot en in gebruik genomen als woonpaleis en ontvangstruimte en het andere paleis was gerenoveerd tot en in gebruik genomen als werk- en ontvangstruimte. X was het niet eens met de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarden en voerde daarvoor onder meer aan dat de regelgeving en het monumentenbeleid niet toestonden dat de onroerende zaken werden vervreemd. Hof Den Haag besliste echter dat de uit artikel 4 van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis voortvloeiende verplichting tot terbeschikkingstelling van een of meer paleizen aan I, niet noopte tot aanwijzing van de onderhavige onroerende zaken als zodanig paleis. Het Besluit van 15 juli 1980 hield volgens het Hof niets meer in dan de terbeschikkingstelling van bepaalde gebouwen aan een gebruiker. Daarmee kon gelet op de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ vervatte overdrachtsfictie volgens het Hof geen rekening worden gehouden. Voorts besliste het Hof dat voor de waardebepaling van de onderhavige onroerende zaken de vigerende bestemmingsvoorschriften konden worden uitgeschakeld. Het Hof handhaafde de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarden. X heeft tegen beide uitspraken cassatie aangetekend.

Bron:
Fida 20031909 - Hof Den Haag 19-3-2003, nr. BK-02/01615
Fida 20031911 - Hof den Haag 19-3-2003, nr. BK-02/01616


Streep door deals bij huizentaxaties

Hof Arnhem kapittelt Harderwijk nu in WOZ-procedure

Hof Arnhem heeft de gemeente Harderwijk teruggefloten in een WOZ-zaak. De gemeente Harderwijk had namelijk met de taxateur, die de taxaties én de hertaxaties voor de WOZ verichtte, afgesproken dat de kosten van een hertaxatie niet volledig zouden worden vergoed als de hertaxatie te veel afweek van de oorspronkelijke taxatie. Hof Arnhem vond dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur, omdat een objectieve vaststelling van de waarde onder druk was komen te staan door het financiële belang dat de taxateur bij de uitkomst van de hertaxatie had. Het Hof legde daarom de taxatie, die de gemeente Harderwijk had laten maken, terzijde.

Bron:
Fida 20030877 - Hof Arnhem 11 maart 2003 0102668


Succes zwartspaarders in gevecht met fiscus

Aanslag en boete voorlopig niet opgeeist

Hof Den Haag heeft in een voorlopige voorziening beslist dat een KB-Lux-navorderingsaanslag IB 1990 moet worden geschorst omdat de navorderingsaanslag moet worden aangemerkt als een lichtvaardig besluit van de Belastingdienst en de belanghebbende een spoedeisend belang heeft bij de schorsing. Het Hof schortte de navorderingsaanslag op tot zes weken na de datum van verzending van de uitspraak op het bezwaar.

Bron:
Fida 20030831 - Hof Den Haag 12-3-2003 BK-02/04900


Nota zwartwerker fiscaal aftrekbaar

Particulier hoefde identiteit zwartwerkers niet prijs te geven

In zijn aangifte IB 1995 claimde politiemedewerker X f 145.363 aan onderhoudskosten en andere kosten als aftrekbare kosten van de verhuurde woning. De inspecteur accepteerde een bedrag van f 41.272 niet, omdat X geen betalingsbewijzen van het arbeidsloon en reiskosten van anonieme werklieden had overgelegd. X stelde dat hij daartoe als niet-administratieplichtige niet toe verplicht was en ging in beroep. Hof Den Bosch stelde eerst vast dat de inspecteur op de zitting bij het Hof desgevraagd had herhaald dat hij niet twijfelde aan de aard en de omvang van de onderwerpelijke kosten en dat hij de aftrekpost alleen had geweigerd omdat hij de namen van de derden wilde hebben. Aangezien X geen administratieplichtige was in de zin van artikel 52 AWR, mocht de inspecteur van hem geen informatie vragen die uitsluitend betrekking had op de belastingheffing van derden. Het Hof verklaarde het beroep van X op 5 december 2002 gegrond.

Bron:
Fida 20024601 - Hof Den Bosch 5-12-2002, nr. 99/00688 (Fida 20024601)


Nederlandse twijfels bij bewijzen KB Lux

Rechtbank eist onderzoek naar rechtmatigheid bewijs

X werd strafrechtelijk vervolgd wegens het onjuist en/of onvolledig doen van aangiften IB. X beschikte volgens de Belastingdienst over een bankrekening bij de Kredietbank Luxemburg (KB Lux), waarmee hij in zijn aangiften op geen enkele wijze rekening had gehouden. Hij ontving in verband hiermee een dagvaarding om bij de Rechtbank Amsterdam te verschijnen. Aldaar stelde X dat de betreffende rekeninggegevens van de KB Lux die door autoriteiten in België aan de Nederlandse Belastingdienst waren verstrekt door werknemers van KB Lux waren gestolen of verduisterd. Dat kwam volgens X neer op een strafbare schending van het Luxemburgse bankgeheim. Bovendien was het onduidelijk op welke manier de Belgische justitiële autoriteiten die gegevens vervolgens in handen hadden gekregen. X meende dat het Belgische opsporingsapparaat daarbij waarschijnlijk over de schreef was gegaan. Rechtbank Amsterdam overwoog dat de Nederlandse rechter in beginsel niet was gehouden de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens door de Belgische autoriteiten te onderzoeken. De Nederlandse rechter mocht er op vertrouwen dat een verdragsstaat zijn opsporingsbevoegdheden in overeenstemming met de verdedigingsrechten van het EVRM zou uitoefenen. Dat was slechts anders indien er sterke aanwijzingen waren dat die verdragsnormen waren geschonden en wel zodanig dat daardoor ook de verdachte was geschaad. De Rechtbank besliste vervolgens dat gezien de omstandigheden niet kon worden uitgesloten dat X inderdaad in zijn belangen was geschaad. De Rechtbank eiste daarom van de officier van justitie een nader onderzoek. De Rechtbank vroeg om een zo gedetailleerd mogelijke verslaglegging op welke wijze de rekeninggegevens door de bewuste werknemers aan de KB Lux waren ontfutseld en hoe die gegevens vervolgens in handen van de Belgische justitie waren gekomen. De Rechtbank gaf de officier van justitie een termijn van maximaal vier maanden.

Bron:
Fida 20023261 - Arr.rb. Amsterdam 12 september 2002 1312006701


KB Lux-vonnis krijgt aandacht in Nederland;
10.200 Nederlanders hadden er een rekening

Microfiches KB Luxemburg onvoldoende bewijskracht

Een Belgisch echtpaar werd geconfronteerd met een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting wegens het verzwijgen van een bankrekening die het echtpaar volgens de Belgische Belastingdienst bij de Kredietbank in Luxemburg (KB Lux) had aangehouden. De Rechtbank Brussel besliste dat de fiscus het echtpaar niet kon aanpakken op grond van de microfiches van de KB Lux omdat de herkomst van de documenten "totaal onduidelijk" was en "de oorsprong oncontroleerbaar''

Bron:
Fida 20022872 - Rechtbank van eerste aanleg 28 juni 2002 013718


Te laat is te laat, zegt Hoge Raad over parkeertijd

Geen 5 minuten tolerantie bij overschrijding parkeertijd (lokaal)

X parkeerde zijn auto op een plaats voor betaald parkeren. Hij kocht voor f 2 een kaartje bij een parkeerautomaat. De parkeertijd eindigde volgens het kaartje om 16.26 uur.
Toen X terugkwam bij zijn auto zag hij dat een parkeercontroleur van de gemeente Hilversum een naheffingsaanslag parkeerbelastingen uitschreef van f 60. Het horloge van de parkeercontroleur gaf 16.31 uur aan en het horloge van X gaf toen 16.28 uur aan.
Hof Amsterdam achtte het aannemelijk dat in parkeerapparatuur met een tijdregistratie afwijkingen in de tijdregistratie konden ontstaan. Bij een overschrijding van de op het parkeerbiljet vermelde parkeertijd met minder dan 5 minuten, viel volgens het Hof niet uit te sluiten dat door geringe afwijkingen de in uurwerken de parkeertijd in werkelijkheid niet was overschreden. Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag. AG Ilsink concludeerde dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag een zogenoemd aanwijzingsbesluit ontbrak. Zonder een aanwijzingsbesluit kwam de grond aan de naheffingsaanslag te ontvallen. De Hoge Raad heeft thans echter beslist dat het aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen rechtsgeldig was. Verder besliste de Hoge Raad dat zonder nadere motivering door het Hof niet begrijpelijk was waarom een marge van vijf minuten in aanmerking werd genomen. Bovendien had X erkend dat hij de parkeertijd was overschreden, zonder het Hof wat dit betreft buiten de rechtsstrijd was getreden. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en deed de zaak zelf af. X moest de naheffingsaanslag parkeerbelasting betalen.

Bron:
Fida 20014566 - Hoge Raad 14-6-2002, nr. 37053


Hof steunt rijke Nederbelg

Fiscus verliest tweede slag in strijd tegen pensioenvlucht

Hof Den Bosch heeft een voor de praktijk belangrijke uitspraak gedaan over de onbelastbaarheid van de overheveling van een in Nederland opgebouwd pensioenkapitaal aan een in België gevestigde verzekeraar. Ondanks de recente en op handen zijnde wets- en verdragswijzigingen is de bovenstaande uitspraak van Hof Den Bosch nog van groot belang voor nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen. Hof Den Bosch kwam kortgezegd tot de volgende conclusies:

Bron:
Fida 20020595 - Hof Den Bosch 22 januari 2002 9901766


Fiscus jaagt op geld over de grens

Fiscus start onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen

Uit een aan Fiscaal up to Date ter hand gestelde brief blijkt dat de Belastingdienst een onderzoek is gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meer bankrekening(en) aanhouden of hebben aangehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat hiervan in de aangiften IB en/of VB geen opgaaf is gedaan. De Belastingdienst heeft een aangetekende brief gestuurd waarin melding wordt gemaakt van dit onderzoek en waarin de betrokkene wordt gevraagd binnen 5 dagen de door de Belastingdienst bijgevoegde "verklaring buitenlandse bankrekeningen" in te vullen. In de verklaring moet worden aangegeven welke rekeningsnummers, bij welke bank, in welk land en sinds welke datum zijn aangehouden in de periode ná 1 januari 1989.

Bron:
Fida 20013738 - Belastingdienst Particulieren 31 oktober 2001


Te hoge aanslag in tal van gemeenten

Nog meer gemeentelijke afrondingsfoutjes in OZB-tarieven

Zie onze special OZB-afronding.


Afrondingsfoutje, bedankt!

Gemeentelijke afrondingsfoutjes in OZB-tarieven 2001

Zie onze special OZB-afronding.


Meevaller voor woningbezitters en ondernemers (OZB-blunder in 32 gemeenten)

Gemeentelijke afrondingsfoutjes in OZB-tarieven 2001

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof Arnhem waarin aanslagen OZB werden vernietigd wegens een afrondingsfout, is een overzicht gemaakt van gemeenten die in de OZB-tarieven over het jaar 2001 afrondingsfouten hebben gemaakt. Zie onze special OZB-afronding.


Verkeerde afronding kost gemeente OZB-inkomsten

Eigenarentarief OZB f 0,0025 te hoog: aanslagen OZB vernietigd

BV X ontving van de gemeente Harderwijk voor het jaar 1997 aanslagen OZB tot een bedrag van f 16.672. De aanslagen hadden betrekking op onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienden. De eigenarenbelasting bedroeg daarvoor f 6,64 voor elke volle f 5.000, en de gebruikersbelasting f 5,31. BV X stelde dat de gemeente met die tarieven in strijd handelde met artikel 220g Gemeentewet, omdat het eigenarentarief hoger was dan 125% van het gebruikerstarief. Een bedrag van f 5,31 vermenigvuldigd met 125% leidde namelijk tot een bedrag van f 6,6375. Door dat bedrag af te ronden op f 6,64 was het tarief volgens BV X niet meer binnen de wettelijke grenzen vastgesteld. De gemeente vond het verschil te verwaarlozen, maar dat was volgens BV X niet relevant. Hof Arnhem stelde BV X in het gelijk. Het tarief voor eigenaren bedroeg 125,047% van het tarief voor gebruikers. De OZB-verordening van de gemeente was op het punt van de tariefstelling dan ook in strijd met artikel 220g Gemeentewet. De Gemeentewet voorzag verder niet in enige afronding van tarieven, waardoor deze konden uitkomen boven het maximaal toegestane tarief. De OZB-verordening was op het onderdeel van de tariefstelling onverbindend. De aanslagen OZB waren daardoor niet gebaseerd op een verbindende tariefbepaling en konden dan ook niet in stand blijven. Er kon volgens het Hof niet worden teruggevallen op eerdere verordeningen. Het Hof vernietigde de aanslagen.

Bron:
Fida 20012116 - Hof Arnhem 27 april 2001 98/02985


Verdwijnen beroepskosten aanvechtbaar

Advocaat-Generaal Wattel bepleit rechtsherstel discriminatie arbeidskostenforfait

Tot en met het jaar 2000 konden mensen hun werkelijke beroepskosten ten laste van hun inkomen brengen. Degenen die niet boven een bepaalde drempel kwamen, mochten een vast (forfaitair) bedrag, het zogenaamde arbeidskostenforfait, aftrekken. Het arbeidskostenforfait was sinds zijn invoering vaak verhoogd. Met die verhogingen werd altijd een niet-fiscaal doel nagestreefd, namelijk het stimuleren van aanvaarding van betaalde arbeid en dus verbetering van de werkgelegenheidssituatie. Al in 1993 was de wetgever zich ervan bewust dat verhoging van het arbeidskostenforfait "oneigenlijk" was en tot een benadeling leidde van mensen met hoge (werkelijke) beroepskosten. Toch werd het arbeidskostenforfait in de jaren 1995-2000 steeds maar weer verhoogd.

Op 12 mei 1999 besliste de Hoge Raad dat de verhogingen van het arbeidskostenforfait in 1992 en 1994 met (maximaal) f 1.050 verboden discriminatie opleverden in de zin van de mensenrechtenverdragen. De Hoge Raad greep echter niet in, omdat dit op het pad van de wetgever lag. In de belastingplannen die de wetgever in 1999 voor het belastingjaar 2000 maakte, werd het maximum van het arbeidsforfait wederom verhoogd, de beslissing van de Hoge Raad ten spijt. Met ingang van 2001 is de aftrek van de werkelijke beroepskosten en ook de aftrek van het arbeidskostenforfait geheel komen te vervallen. Toch is het onderwerp niet van de baan.

Er loopt namelijk een procedure voor de Hoge Raad, waarin de belangrijkste adviseur van dit rechtscollege, de Advocaat-Generaal (P.J. Wattel), tot interessante conclusies komt over deze kwestie. De heer Wattel komt tot de conclusie dat de wetgever niet zijn best heeft gedaan om de door de Hoge Raad op 12 mei 1999 geconstateerde discriminatie op te heffen. De Hoge Raad zou daarom rechtsherstel moeten bieden in de arbeidskostenkwestie voor de belastingjarenjaren 1999 en 2000. Tot slot merkte Advocaat-Generaal Wattel nog op dat het algeheel schrappen van aftrek van verwervingskosten met ingang van het jaar 2001 op gespannen voet staat met de mensenrechtenverdragen.

Bron:
Fida 20002249 - Hof Den Haag 30 mei 2000 98/03395
Fida 20011928 - HR (Conclusie AG) 11 mei 2001 36265


Boom en halfpipe verlagen WOZ-waarde

Waardedrukkende omstandigheden voor de WOZ

Spraakmakende en interessante uitspraken waarbij rekening werd gehouden met waardedrukkende omstandigheden voor de WOZ zijn opgenomen in onze special WOZ-waarde in de rubriek Achtergronden.


Belasting moet piramidespelers deel teruggeven

Advocaat-Generaal acht eerste f 10.000 piramidespel onbelast

Advocaat-Generaal (AG) Wattel heeft een conclusie uitgebracht bij een vijftal zaken die door piramidespelers aanhangig gemaakt zijn bij de Hoge Raad. Volgens de AG moeten zowel de voordelen als nadelen die behaald zijn met piramidespelen buiten de belaste sfeer blijven wegens het ontbreken van maatschappelijke ruilverkeer en van objectieve voorzienbaarheid van voordeel. Zijns inziens is geen sprake van een fiscale bron, tenzij door de deelnemer bovenmatige inspanningen zijn geleverd. Voor zover de Hoge Raad toch beslist dat sprake is van een bron van inkomen, moeten bij de winnende piramidespelers op grond van het gelijkheidsbeginsel de eerste f 10.000 bruto-inkomsten buiten de heffing blijven. Voor verdere achtergrondinformatie verwijzen wij naar de rubriek openbaarheid op onze website (www.futd.nl).

Bron:
Fida 20010082 - Hoge Raad (Conclusie AG) 23 december 2000


Ziekenfonds niet altijd verplicht

Lichtpuntjes voor ZF-verzekering startende ondernemers

Hof Arnhem heeft twee interessante uitspraken gedaan inzake de verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandige startende ondernemers en beslist dat het (1) niet terecht is dat bij starters slechts naar één toetsjaar wordt gekeken en (2) dat de keuzemogelijkheid die ondernemers hadden om een sterk afwijkend inkomen buiten beschouwing te laten, ten onrechte niet was gegeven aan starters.

Bron:
Fida 20003241 - Hof Arnhem 18 augustus 2000 00/0787
Fida 20003242 - Hof Arnhem 5 september 2000 00/243
Fida 20003785 - Tweede Kamer vragen 13 september 2000
Fida 20003786 - Tweede Kamer vragen 26 september 2000


Wijziging gedoogbeleid recreatiebungalows waardedrukkend voor WOZ

X was eigenaar van een bungalow in een recreatiepark te Diepenheim. De bungalows in dat park mochten sinds 1984 alleen voor recreatieve doeleinden worden gebruik maar de gemeente gedoogde de permanente bewoning van de bungalows. In 1995 werden 22 van de 28 recreatiewoningen permanent bewoond. Die bewoners hadden zich ook in het bevolkingsregister van de gemeente Diepenheim laten inschrijven. De gemeente schreef op 31 augustus 1995 aan de bewoners van het recreatiepark "met ingang van heden de recreatieve bestemming van de recreatiebungalows strikt te handhaven". X stelde dat deze beleidswijziging van de gemeente moest worden aangemerkt als een omstandigheid genoemd in artikel 19, lid 1, onderdeel c, Wet WOZ, waardoor de waarde van zijn woning in zijn WOZ-beschikking moest worden aangepast. Het Hof was het met X eens dat het van algemene bekendheid is dat een woning die permanent mocht worden bewoond aanmerkelijk meer waard was dan een woning waarin slechts recreatief mocht worden gewoond. Gelet op de duur van het gedoogbeleid en de omvang van de permanente bewoning, achtte het Hof een aanmerkelijke waardedaling door de beleidswijziging van de gemeente aannemelijk. Het Hof stelde die waardedaling in goede justitie vast op 20%.

Bron:
Fida 20002251 - Hof Arnhem 24 februari 2000 98/2127